Overslaan en naar de inhoud gaan

ve18002398 20-02-2018, Vzr Rb Amsterdam (civiel), C/13/640244 / KG ZA 17-1327 FB/AA, ECLI:NL:RBAMS:2018:933 - Tussenvonnis

Datum uitspraak
20-02-2018
Instantie
Rechtbank Amsterdam
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2018:933
Zaaknummer
C/13/640244 / KG ZA 17-1327 FB/AA
Redacteur
Hans Oort van
Trefwoorden
Brexit
EU burger(schap)
EU Regelgeving / EG Regelgeving
Richtlijn 2004/38 Verblijfsrecht
Verenigd Koninkrijk
Voorlopige voorziening
Kernbegrippen

Gevolgen Brexit voor EU-burgerschap Britten in andere lidstaten / Openstelling hoger beroep tegen voornemen tot stellen van prejudiciële vragen, want controversiële rechtsvraag

Inhoud

1. Bij het tussenvonnis van 7 februari 2018 (ve18000259) heeft de Vzr partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de in dat tussenvonnis geformuleerde voorgenomen prejudiciële vragen. De reactie van gedaagden verwijst enkele malen naar de mogelijkheid dat het HvJEU het verzoek tot beantwoording van de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk zal verklaren. Deze conclusie is slechts ten dele ingegeven door de inhoud van de voorgenomen prejudiciële vragen en voor een groter deel door het gegeven dat er nog geen terugtrekkingsakkoord tot stand is gekomen a.b.i. art. 50 lid 2 VEU. Dit laatste betreft echter een aspect dat samenhangt met het voornemen om prejudiciële vragen te stellen, waarop partijen niet meer mochten reageren. V.z.v. de reactie van gedaagden op dit aspect ziet, wordt deze buiten beschouwing gelaten. Voor het overige geven de opmerkingen geen aanleiding tot herformulering van de vragen.
2. Separaat hebben gedaagden verzocht tussentijds hoger beroep open te stellen tegen het tussenvonnis van 7 februari en tegen het onderhavige verwijzingsvonnis. Dit verzoekt strekt ertoe een uitzondering te maken op de regel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts tegelijk met het eindvonnis kan worden ingesteld, tenzij de rechter anders bepaalt (art. 337 lid 2 Rv). Uit ECLI:NL:HR:2004:AL7051 volgt dat o.m. aanleiding kan bestaan voor het tussentijds openstellen van hoger beroep als er sprake is van een controversiële rechtsvraag die de verdere behandeling van de zaak beïnvloedt. Daarvan is in dit geval evident sprake. Gelet op de belangen van beide partijen, hun uiteenlopende standpunten over de rechtsplichten van gedaagden en de met dit geschil verweven vragen over de taakverdeling tussen rechter en uitvoerende macht, is er aanleiding gedaagden toe te staan tussentijds hoger beroep in te stellen. Op zichzelf wordt daardoor de verwijzingsuitspraak niet opgeschort, en een verwijzing naar het HvJEU niet geschorst. Maar het zou in strijd zijn met fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging als, hangende dit door gedaagden aangekondigde appel, de in het eerste tussenvonnis al geformuleerde vragen nu reeds aan het HvJEU zouden worden voorgelegd. Daarvan wordt dus afgezien. Het is aan het Amsterdamse hof om te beoordelen of inderdaad vragen zullen worden gesteld aan het HvJEU en zo ja, welke vragen. Stelt hoger beroep open tegen tussenvonnis van 7 februari 2018 (ve18000259) en onderhavig verwijzingsvonnis; houdt iedere verdere beslissing aan.
--- Zie ve18002396 voor de uitspraak in hoger beroep.

Aanvullende opmerkingen
Wet