Overslaan en naar de inhoud gaan

ve21001716 06-01-2021, VK Rb Den Haag, AWB 20/4409, ECLI:NL:RBDHA:2021:5525

Datum uitspraak
06-01-2021
Instantie
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:5525
Zaaknummer
AWB 20/4409
Redacteur
Tisanja Abali
Kernbegrippen

Faciliterend visum / In Marokko verblijvende Marokkaanse moeder met Marokkaanse dochter en Nederlandse zoon en dochter / Visum verleend aan moeder maar niet aan minderjarige zus / Chavez n.v.t. / Geen reden voor stellen prejudiciële vragen

Inhoud

1. Eiseres kan aan het arrest Chavez (JV 2017/143 nt C.A. Groenendijk, ve17000895) geen afgeleid verblijfsrecht ontlenen omdat zij niet een ouder van een minderjarige Unieburger is. Uit het arrest en de daarop gebaseerde rechtspraak volgt niet dat het arrest ook van toepassing kan zijn op broers en zussen.
2. Uit het arrest O.S. en L. (JV 2013/87, ve12002415) volgt dat bij de vraag of een derdelander aanspraak heeft op een van art. 20 VWEU afgeleid verblijfsrecht, alleen ter beoordeling staat of er tussen de minderjarige EU-burger en diens derdelander-ouder sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding, dat de minderjarige EU-burger feitelijk gedwongen wordt het grondgebied van de EU te verlaten als aan de derdelander-ouder verblijfsrecht wordt ontzegd. Dit is later bevestigd in het al eerder genoemde arrest Chavez. Het arrest O.S. en L. kan dus niet dienen als onderbouwing van de stelling dat ook een relatie tussen een minderjarige Unieburger en zijn derdelander minderjarige broer- of -zus onder de reikwijdte van het arrest Chavez valt. Dat, zoals eiseres aanvoert, het arrest uitdrukkelijk rekening houdt met gezinsleven en daarmee in het bijzonder doelt op de afhankelijke relatie tussen broer en zus maakt het oordeel niet anders. Verweerder komt pas toe aan de toets van deze afhankelijkheid als een weigering van verweerder ertoe leidt dat de kinderen die EU-burger zijn het grondgebied van de EU moeten verlaten om met hun verzorgende ouder mee te gaan. Deze situatie doet zich hier niet voor.
3. De weigering om eiseres een visum te verlenen belemmert het voortzetten van het gezinsleven niet. Eiseres woont met haar zus, haar broer en haar moeder als gezin in Marokko. Zij kunnen daar hun gezinsleven voortzetten. Indien de broer en de zus van eiseres hun recht om vrij op het grondgebied van lidstaten te reizen en te verblijven willen effectueren, dan kunnen zij dat doen. In dit verband heeft de moeder van eiseres een faciliterend visum gekregen. Dit betekent voor eiseres dat zij, zodra haar zus, haar broer en haar moeder in Nederland zijn, een mvv kan aanvragen of een aanvraag voor een verblijfsvergunning o.g.v. art. 8 EVRM. Niet staat vast dat het op voorhand niet mogelijk is om een reguliere mvv-aanvraag voor eiseres in te dienen met als doel verblijf bij moeder. De rb ziet daarom geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Dat eiseres het wenselijk vindt om gelijktijdig met haar moeder, broer en zus naar Nederland te komen is begrijpelijk, maar maakt niet dat verweerder anders had moeten beslissen.
Beroep ongegrond.