Overslaan en naar de inhoud gaan

ve20003412 29-10-2020, Rb Zeeland-West-Brabant, C/02/376847 / KG ZA 20-507, JV 2021/12, ECLI:NL:RBZWB:2020:5244

Datum uitspraak
29-10-2020
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2020:5244
Zaaknummer
C/02/376847 / KG ZA 20-507
Redacteur
Gerd Westendorp
Kernbegrippen

Kort geding / Vordering IND opheffing derdenbeslag / Beroep niet tijdig beslissen asielaanvraag / Art 47 Hv niet geschonden / Bestuursrechter bevoegd tot aanpassen dwangsom gelet op overmacht wegens coronamaatregelen / Geen misbruik van executiebevoegdheid nu de Staat de vreemdeling geen andere keuze heeft gelaten en in strijd met het fair play beginsel

Inhoud

Bij brief van 23 juli 2020 heeft IND aan de advocaat van vreemdeling medegedeeld dat de rechterlijke dwangsom is verschuldigd vanaf 30 januari 2020, maar van 16 maart 2020 tot 14 juli 2020 geen dwangsom wordt berekend vanwege de coronamaatregelen en dit als overmacht a.b.i. art. 4:15 lid 2 onder c Awb is te beschouwen. De IND heeft medegedeeld dat er een rechterlijke dwangsom verschuldigd is van € 4.600,00 en daartoe een declaratieformulier meegezonden om tot uitbetaling van dat bedrag over te gaan. In de brief staat voorts: "Tegen deze beslissing op de rechterlijke dwangsom staal geen rechtsmiddel open. Indien u het niet eens hem met de manier waarop uitvoering is gegeven aan de rechterlijke uitspraak dient u zich te wenden tot de civiele rechter". De vreemdeling heeft op 4 september 2020 de deurwaarder namens hem en ten laste van de Staat executoriaal derdenbeslag laten leggen onder de ING (op rekeningnummer () voor verbeurde dwangsommen van € 15.000,00 te vermeerderen met kosten op basis van de uitspraak van de Rb Den Haag zp Rotterdam van 4 december 2019.
De Vzr overweegt dat nu de Staat heeft bevestigd dat het beslag onder ING geen doel heeft getroffen, hij geen belang meer heeft bij zijn primaire en subsidiaire vorderingen (I en Il). Resteren de vorderingen onder III en IV die neerkomen op een verbod van de Staat om verdere executiemaatregelen te nemen (waaronder het opnieuw leggen van beslag), althans de executie te schorsen totdat in een bodemprocedure op de verweren van de Staat is beslist.
1. De (...) heeft niet, althans onvoldoende betwist dat alle goederen die eigendom zijn van het COA, waaronder diens banktegoeden ingezet worden voor de uitoefening van diens wettelijke taken en daarmee bestemt zijn voor de openbare dienst. Art. 436 Rv bepaalt dat beslag niet mag worden gelegd op goederen bestemd voor de openbare dienst, waardoor het door de vreemdeling voorgenomen nieuw te leggen executoriale beslag in beginsel niet  rechtsgeldig zal kunnen worden gelegd.
2. Volgens de Staat is de Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom van toepassing. De vzr zal deze stelling passeren, omdat ook als art. 47 Handvest grondrechten EU (Hv) Inderdaad van toepassing is, de stelling van de vreemdeling niet kan slagen. In artikel 47 Hv is het recht op een eerlijk proces geregeld en zoals de vreemdeling aanvoert, ziet dit ook op het recht om een verkregen uitspraak te executeren. De vzr is van oordeel dat nog steeds het uitgangspunt is dat de Staat rechterlijke uitspraken respecteert en pleegt na te komen. Door dit uitgangspunt is art. 436 Rv geen blokkade als het gaat om nakoming van bij rechterlijke uitspraak aan de overheid opgelegde betalingsverplichtingen; een beslag is dan namelijk niet nodig. De vzr is daarom van oordeel dat art. 436 Rv niet onmiskenbaar in strijd is met art. 47 Hv, althans heeft dat onvoldoende aannemelijk gemaakt. De jurisprudentie waar de vreemdeling naar verwijst, ziet op andere onderwerpen dan waar het in dit geschil om gaat. O.g.v. het voorgaande slaagt het primaire verweer dat art. 436 Rv in strijd is met het recht van de Unie niet. Er is geen aanleiding om conform hel verzoek van de vreemdeling prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU.
3. Het is juist, zoals door de Staat gesteld, dat de executierechter o.a. kan oordelen over de vraag óf dwangsommen zijn verbeurd. Dat i.c.; echter niet de vraag waar het hier om gaat. Immers, de IND heeft zich in zijn brief aan de vreemdeling al erkend dat dwangsommen zijn verschuldigd omdat de beslistermijn is overschreden, zij het dat de IND een beroep doet op overmacht. Waar het om gaat is of de Staat zich kan beroepen op overmacht. Het is de dwangsomrechter en niet de executierechter die exclusief en op vordering van de veroordeelde heeft te oordelen op een 'onmogelijkheid gebaseerde stelling  van de veroordeelde. De rechter die uitsluitend als executierechter en als dwangsomrechter optreedt. is niet bevoegd om te onderzoeken of sprak is van een onmogelijkheid in i.d.z.v. art. 611d Rv. Het ligt in de rede dat de bestuursrechter dan bevoegd is. De Staat stelt dat dit niet het geval is omdat de wetgever een weloverwogen keuze heeft gemaakt om in art. 8:55d lid 2 Awb art. 611d  Rv niet op te nemen bij de bepalingen die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Uit de toelichting bij de nota van wijziging kan niet worden afgeleid dat de wetgever een weloverwogen keuze heeft gemaakt de bestuursrechter die o.g.v. art. 8:55d, lid 2, Awb een nadere dwangsom heeft opgelegd niet (meer) aan te merken als de dwangsomrechter i.d.z.v. art. 611d Rv. Als dat het geval was geweest, had verwacht mogen worden dat dit uitvoeriger zou zijn toegelicht. Hoewel art. 611d Rv niet (meer) in art. 8:55d, lid 2, Awb is genoemd, is het nog steeds van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van een door de bestuursrechter o.g.v. art. 8:55 lid 2 Awb opgelegde nadere dwangsom. De Staat heeft zich niet tot de bestuursrechter gewend, maar buiten de rechter om de dwangsom verminderd. De Staat heeft in de brief van 23 juli 2020 aan de vreemdeling medegedeeld slechts het volgens de Staat verschuldigde bedrag aan dwangsommen te willen betalen en het meerdere niet verschuldigd te zijn. Bovendien staat in deze brief dat het op de weg van de vreemdeling ligt een civiele procedure te beginnen als hij het niet eens is met de wijze waarop de IND uitvoering heeft gegeven aan de rechterlijke uitspraak. Een dergelijke handelswijze frustreert de vreemdeling in het behalen van haar recht, is in strijd met het fair playbeginsel en moet gelijkgesteld worden aan betalingsonwil. De vreemdeling had dan ook in redelijkheid geen andere keuzen van het leggen van executoriaal derdenbeslag ten laste van de Staat. Dit is geen misbruik van executiebevoegdheid.
Wijst de vorderingen af.

Aanvullende opmerkingen
Wet