Overslaan en naar de inhoud gaan

ve19001614 05-06-2019, ABRvS, 201808923/1/V3, JV 2019/127, ECLI:NL:RVS:2019:1710

Datum uitspraak
05-06-2019
Instantie
Raad van State
ECLI
ECLI:NL:RVS:2019:1710
Zaaknummer
201808923/1/V3
Redacteur
Chretienne Peeters
Trefwoorden
Bewaring
Aanvraag, asiel
Grensbewaking / Grenscontrole
Richtlijn 2013/33 Opvang asielzoekers (herschikking)
Rechtmatig verblijf
Toegang en toegangsweigering
Maatregel ex artikel 6 Vw 2000
Kernbegrippen

Gnandi / Beschikking C.J. en S. / Nationale wetgeving bevat geen geschikte grondslag voor vrijheidsontneming aan de grens tijdens de rechtsmiddelentermijn / Geen geschikte alternatieven voor verblijf aan de buitengrens daarom moet aan betrokken personen feitelijk de toegang tot NL worden verleend

Inhoud

Uit het arrest Gnandi van 19 juni 2018 (JV 2018/167 nt. K.E. Geertsema, ve18002372) en de beschikking C., J. en S. van 5 juli 2018 (JV 2018/168 nt. K.E. Geertsema, ve18005861) volgt niet dat met het instellen van rechtsmiddelen tegen de afwijzing van het asielverzoek in de grensprocedure ook de rechtsgevolgen van het besluit over de toegang worden opgeschort. Het Unierecht verzet zich voorts in beginsel niet tegen vrijheidsontneming van asielzoekers tijdens de rechtsmiddelentermijn. De nationale wetgeving bevat op dit moment echter geen geschikte grondslag voor vrijheidsontneming van asielzoekers die zich in deze situatie bevinden. De vrijheidsontneming van asielzoekers gedurende de rechtsmiddelentermijn is uitsluitend mogelijk in overeenstemming met de Opvangrichtlijn. Deze is geïmplementeerd in art. 6 lid 3 Vw 2000 en deze bepaling is niet geschikt voor vrijheidsontneming voor de periode na afwijzing van het asielverzoek in de grensperiode. Daarvoor is art. 6 lid 6 Vw 2000 bedoeld. Door de koppeling in art. 5.1a lid 4 Vb 2000 naar lid 1 van die bepaling is deze evenwel zo geformuleerd dat deze is toegespitst op het vertrek of de uitzetting van de betrokken persoon, zodat interpretatie van art. 6 lid 6 Vw 2000 overeenkomstig art. 8 lid 3 aanhef en onder b of c Opvangrichtlijn niet kan binnen het kader van de wet. Om diezelfde reden kunnen ook de artt. 6 lid 1 en 2 en 6a lid 1 Vw 2000 niet als geschikte grondslag dienen. Voor de toepassing daarvan is namelijk vereist dat aan de betrokken persoon de toegang is geweigerd en dit verhoudt zich niet met het vereiste in art. 8 lid 3 aanhef en onder c Opvangrichtlijn, dat er een procedure gaande moet zijn waarin over de toegang tot Nederland van die persoon wordt beslist.
- Gelet hierop en omdat er voor deze categorie personen op dit moment geen geschikte alternatieven zijn voor verblijf aan de buitengrens moet aan hen op dit moment feitelijk de toegang tot Nederland en daarmee het Schengengebied worden verleend. Art. 3 lid 6 Vw 2000, waarin de verplichting is opgenomen om bij de afwijzing van het asielverzoek in de grensprocedure onmiddellijk de toegang tot Nederland te weigeren, is daarbij praktisch niet uitvoerbaar en moet om die reden buiten toepassing worden gelaten.
- Om de huidige praktijk van vrijheidsontneming van asielzoekers na afwijzing van hun asielverzoek in de grensprocedure voort te kunnen blijven zetten zal de wetgever reeds bestaande grondslagen daarvoor geschikt moeten maken of een nieuwe grondslag in de wet moeten opnemen. Daarbij moet hij rekening houden met de vereisten voor vrijheidsontneming zoals die voortvloeien uit het Unierecht. Het Unierecht verzet zich namelijk niet tegen het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel als de asielaanvraag is afgewezen in de grensprocedure, op voorwaarde dat er nog moet worden beslist over de toegang van de betrokken persoon. Het Unierecht verzet zich er ook niet tegen om het besluit over de toegang – dat gelet op art. 3 lid 6 Vw 2000 op dit moment onmiddellijk met de afwijzing van het asielverzoek wordt genomen – te blijven uitstellen totdat de rechtsmiddelentermijn is verstreken.
Hoger beroep SvJ&V ongegrond; bevestigt VK Rb Den Haag zp Haarlem 6 november 2018, NL18.19950, ve18006849.
--- Persbericht ABRvS