Overslaan en naar de inhoud gaan

ve19002182 25-07-2019, ABRvS, 201704060/1/V3, ECLI:NL:RVS:2019:2502

Datum uitspraak
25-07-2019
Instantie
Raad van State
ECLI
ECLI:NL:RVS:2019:2502
Zaaknummer
201704060/1/V3
Redacteur
Esther Wolthuis
Trefwoorden
Gemeenschapsonderdaan
Verblijfsbescheiden en -aantekeningen
EU burger, familielid van
Richtlijn 2004/38 Verblijfsrecht
Middelenvereiste / Middelen van bestaan
Arbeid, als zelfstandige
Arbeid in loondienst
Normbedragen
Vrij verkeer van personen
Kernbegrippen

Duurzaam verblijf gemeenschapsonderdaan / Middelen / Economisch inactieven / Geen beroep sociale bijstandsstelsel uitdrukkelijk betrekken bij beoordeling / Arbeid als zelfstandige / Arbeid in loondienst / Art. 7 Verblijfsrichtlijn / Ontbreken algehele beoordeling economische activiteit zelfstandigen in beleid

Inhoud

Afgifte document duurzaam verblijf als gemeenschapsonderdaan afgewezen. Zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met zaken ve19002228 en ve19002227. Aan de vreemdeling, van Turkse nationaliteit, is o.g.v. zijn relatie met zijn Duitse partner op 18 november 2010 een verblijfsdocument familielid van Unieburger afgegeven. Zijn partner is in 2011 overleden. Op 13 augustus 2015 heeft de vreemdeling een aanvraag voor een document “duurzaam verblijf Unieburgers” ingediend. De vreemdeling is tot 22 december 2011 werkzaam geweest in loondienst. In de periode daarna heeft de vreemdeling niet aangetoond dat hij over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt. De SvJ&V heeft daarom vastgesteld dat de vreemdeling vanaf 22 december 2011 geen rechtmatig verblijf meer heeft. De vreemdeling klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat hij een duurzaam verblijfsrecht, omdat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt als bedoeld in de Verblijfsrichtlijn. Hij voert aan dat hij nooit een beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel en dat hij altijd in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Daarnaast stelt hij dat hij arbeid in loondienst en als zelfstandige heeft verricht. Hierbij verwijst hij naar de conclusie van AG Wathelet van 26 juli 2017, in de zaak Gusa tegen Ierland (ve17002711). Het HvJEU heeft in zijn uitspraak van 20 december 2017 (JV 2018/13, ve17002709) geen oordeel gegeven over dit standpunt.
1. Volgens het beleid van de SvJ&V kunnen Unieburgers of hun familieleden als werknemer of zelfstandige worden aangemerkt als zij reële en daadwerkelijke arbeid verrichten. Het beleid in B10/2.2 Vc en WI 2018/4 (ve18000595), laat een persoonlijke toets toe en voldoende ruimte om te kijken naar de algehele arbeidssituatie en is in zoverre in lijn met de Hofjurisprudentie.  Wel ontbreekt in het beleid over zelfstandigen de beoordelingswijze m.b.t. de vraag wanneer de economische activiteit als 'alleen marginaal en bijkomstig' moet worden bestempeld. De SvJ&V moet ook in dat geval, net als bij werknemers, een algehele beoordeling maken van de economische activiteit. Gelet hierop heeft de SvJ&V onvoldoende onderzocht of de vreemdeling vanaf 22 december 2011 zelfstandige was.
2. Bij de beoordeling van het duurzaam verblijfsrecht moet worden gekeken of in de periode voordat aanspraak gemaakt kan worden op het duurzaam verblijfsrecht, is voldaan aan het vereiste van voldoende middelen van bestaan. Het betoog van de vreemdeling dat de enkele omstandigheid dat hij nooit een beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel, voldoende is om aan te tonen dat is voldaan aan het middelenvereiste, kan, gelet op de huidige stand van het Unierecht inzake economisch inactieven, niet gevolgd worden. Uit Hofjurisprudentie in samenhang met de richtsnoeren volgt dat de vreemdeling vijf jaren moet beschikken over voldoende middelen van bestaan om duurzaam verblijfsrecht te krijgen. De bewijslast ligt bij de vreemdeling. Weliswaar gelden geen vereisten omtrent de herkomst van de middelen en de bewijsmiddelen, maar de nationale autoriteiten van het gastland mogen van de vreemdeling verlangen dat hij inzicht geeft in het bestaan van beschikbare middelen, de hoogte en de rechtmatigheid ervan alsook dat die voorzien in een zeker bestaansminimum.
3. Indien het familielid in de relevante periode daadwerkelijk geen beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel, heeft het familielid hiermee enig bewijs geleverd dat hij met de middelen die hij tot zijn beschikking heeft gehad, kon leven, zonder ten laste te komen van het socialebijstandsstelsel. De SvJ&V moet, in het geval de economisch inactieve burgers van de Unie of hun familieleden aantonen te beschikken over middelen die aanzienlijk onder een normbedrag liggen, aan de omstandigheid dat zij geen beroep hebben gedaan op het socialebijstandsstelsel dan ook uitdrukkelijk betekenis toekennen. Een vereiste dat de burgers van de Unie of hun familieleden daarvoor moeten aantonen dat zij volledig "ontzorgd" zijn, strekt te ver, want van het hebben van voldoende middelen van bestaan kan ook sprake zijn als geringe middelen tegenover structureel lage uitgaven staan.
4. De SvJ&V heeft de omstandigheid dat de vreemdeling geen beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel, onvoldoende bij zijn beoordeling betrokken, althans niet deugdelijk gemotiveerd waarom deze omstandigheid niet leidt tot een ander standpunt. Hij heeft onvoldoende in ogenschouw genomen dat ook sprake kan zijn van voldoende middelen van bestaan wanneer geringe middelen tegenover structureel lage uitgaven staan, te meer nu de vreemdeling geen beroep heeft gedaan op het socialebijstandsstelsel.
Hoger beroep vreemdeling gegrond; vernietigt VK Middelburg 14 april 2017, nrs. 16/26302 en 16/29683; beroepen gegrond.

Aanvullende opmerkingen
Wet