Overslaan en naar de inhoud gaan

ve20002806 02-09-2020, ABRvS, 201705770/2/V1, ECLI:NL:RVS:2020:2069

Datum uitspraak
02-09-2020
Instantie
Raad van State
ECLI
ECLI:NL:RVS:2020:2069
Zaaknummer
201705770/2/V1
Redacteur
Gerd Westendorp
Trefwoorden
MVV, procedure (algemeen)
Openbare orde, nationale veiligheid en volksgezondheid
Richtlijn 2003/86 Gezinshereniging
Evenredigheidsbeginsel
Kernbegrippen

Mvv-aanvraag / Vereisten afwijzing toegang en verblijf om redenen openbare orde gelet op G.S. / Geen actuele openbare orde toets nodig maar niet voldaan aan evenredigheidsbeginsel gelet op G.S. / Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86/EG art. 6 lid 1, 17 / Motivering i.h.k.v. art. 8 EVRM kan maar in casu inhoudelijk niet deugdelijk

Inhoud

Bij verwijzingsuitspraak van 6 juni 2018, JV 2018/129, ECLI:NL:RVS:2018:1739, heeft de Afdeling het HvJEU verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de gestelde vragen over de uitleg van de Gezinsherenigingsrichtlijn (Gri). Bij arrest van 12 december 2019, JV 2020/35, nt M.F. Wijngaarden, ECLI:EU:C:2019:1072 (G.S.), heeft het Hof voormelde vragen beantwoord.
In deze uitspraak is de vraag aan de orde welke vereisten volgens het arrest G.S. gelden voor de afwijzing van een verzoek om toegang en verblijf van een gezinslid om redenen van openbare orde, a.b.i. art. 6 lid1 Gri.
Gelet op de punten 63-70 van G.S., betoogt de vreemdeling tevergeefs dat de rb niet heeft onderkend dat bij de afwijzing van een verzoek om toegang en verblijf van een gezinslid a.b.i. art. 6 lid 1 Gri moet worden beoordeeld of de persoonlijke gedragingen van de desbetreffende vreemdeling een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Daarnaast volgt uit het arrest G.S. dat art. 6 lid 1 Gri zich niet verzet tegen de afwijzing van een verzoek om toegang en verblijf van een gezinslid vanwege een veroordeling voor een strafbaar feit, zolang uit de motivering van de beslissing van de SvJ&V blijkt dat is voldaan aan het evenredigheidsbeginsel en dat de SvJ&V daarbij een individuele beoordeling heeft verricht, a.b.i. art. 17 Gri. De SvJ&V heeft in de besluiten bij de door hem verrichtte belangenafweging i.h.k.v. art. 8 EVRM rekening gehouden met de aard en hechtheid van de gezinsband, de duur van het verblijf in de lidstaat en met het bestaan van familiebanden en culturele of sociale banden met het land van herkomst. De vreemdeling concretiseert niet dat de SvJ&V bij het betrekken van die criteria van art. 17 Gri i.h.k.v. de belangenafweging van art. 8 EVRM een te ruime beoordelingsmarge heeft gehanteerd en waarom de inhoud van die beoordeling niet voldoet aan art. 17 Gri. Anders dan de vreemdeling betoogt, volgt uit de besluiten dat de SvJ&V kenbaar heeft betrokken dat de vreemdeling sinds 2000 een duurzame en exclusieve relatie heeft en sinds 2015 is getrouwd. Wat betreft het evenredigheidsbeginsel, heeft de SvJ&V in de besluiten gemotiveerd dat rijden onder invloed een ernstig strafbaar feit is en dat de vreemdeling daarvoor driemaal is veroordeeld, zodat niet is uit te sluiten dat hij dat weer zal doen. De SvJ&V heeft echter niet deugdelijk gemotiveerd dat de strafbare feiten waarvoor de vreemdeling in Nederland is veroordeeld, mede gelet op wat de vreemdeling daarover heeft aangevoerd, zo ernstig zijn of van dien aard dat het noodzakelijk is om het verblijf van die vreemdeling uit te sluiten. De SvJ&V heeft daarnaast slechts vermeld dat de vreemdeling wegens drugsdelicten is uitgeleverd aan [staat], maar heeft niet toegelicht om wat voor delicten het daarbij ging en of de vreemdeling daarvoor in [staat] is veroordeeld.
De ABRvS laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Dit betekent dat het besluit feitelijk toch blijft gelden. Uit de nadere inlichtingen die de SvJ&V en de vreemdeling desgevraagd hebben verstrekt, blijkt dat de vreemdeling na zijn uitlevering aan [staat] daadwerkelijk is veroordeeld voor drugsdelicten en daarvoor een gevangenisstraf van 3 jaar en 10 maanden opgelegd heeft gekregen. Gelet op die omstandigheid, in combinatie met de motivering die de SvJ&V heeft gegeven over de strafbare feiten waarvoor de vreemdeling in Nederland bij herhaling is veroordeeld, is voldaan aan de vereisten t.a.v. de ernst en aard van het strafbare feit a.b.i.onder punt 66 arrest G.S., zodat de weigering een mvv te verlenen niet in strijd is met de Gri. De SvJ&V moet de proceskosten vergoeden.
Hoger beroep vreemdeling gegrond; vernietigt VK Amsterdam 23 juni 2017, 17/5023; beroep gegrond; laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
--- Zie ook ve20002804, waarin de vraag centraal staat welke vereisten gelden voor de vaststelling dat ingevolge art. 6 lid 1 onder e SGC het rechtmatig verblijf van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen (het verblijf in de vrije termijn) is geëindigd omdat een vreemdeling wordt beschouwd als een bedreiging van de openbare orde en  ve20002805, over welke vereisten gelden voor de intrekking of weigering van verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfstitel van een gezinslid om redenen van openbare orde, a.b.i. art. 6 lid 2 Gri.
--- Persbericht ABRvS

Aanvullende opmerkingen
Wet