Overslaan en naar de inhoud gaan

ve21001281 30-04-2021, ABRvS, 202001410/1/V6, ECLI:NL:RVS:2021:926

Datum uitspraak
30-04-2021
Instantie
ECLI
ECLI:NL:RVS:2021:926
Zaaknummer
202001410/1/V6
Redacteur
Gerd Westendorp
Kernbegrippen

Intrekking Nederlanderschap Syrië-ganger in absentia / Ontvankelijkheid hoger beroep / Geen verlies van instantie door aanvullende brief op besluit / Verkrijging dubbele nationaliteit bij geboorte / Afstand Marokkaanse nationaliteit niet aangetoond / Bevoegdheidsverlening aan rb tot inzage in stukken / Intrekking conform EVN / Motiveringsgebrek niet met 6:22 Awb mogen herstellen / Geen willekeur / Discriminatie / Geen prejudiciële vragen nodig

Inhoud

Bij besluit van 11 september 2017 heeft de SvJ&V het Nederlanderschap van A. (verblijfplaats onbekend) die vanaf zijn geboorte de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft, ingetrokken o.g.v. art. 14 lid 4 RWN. Bij brief van 11 oktober 2017 heeft de SvJ&V de rb in kennis gesteld van het besluit. Ingevolge art. 22a lid 3 RWN wordt A hiermee geacht beroep te hebben ingesteld tegen dat besluit. De SvJ&V heeft de motivering van het besluit van 11 september 2017 bij brief van 25 juli 2019 aangevuld om aan te tonen dat de aansluiting bij IS in 2013 heeft voortgeduurd tot en met 11 maart 2017. Gemachtigde klaagt dat de rb ten onrechte het beroep met nummer SGR 19/2238 niet niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1. Dat de wetgever niet heeft voorzien in de mogelijkheid tot het ambtshalve instellen van hoger beroep door de SvJ&V, laat onverlet dat hoger beroep openstaat voor betrokkene en dat zijn raadsman dit namens hem kan instellen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van hoofdstuk 7a RWN (TK, 2015/16, 34 356 (R2064), nr. 3 (MvT), p. 13 en 19, ve15002169) volgt dat tegen de uitspraak van rb Den Haag hoger beroep openstaat bij de Afdeling en dat de wetgever daarmee heeft willen aansluiten bij de bestaande systematiek van rechtsbescherming onder de RWN. Verder staat op p. 12 van de MvT: "de raadsman kan de belangen van betrokkene behartigen […]. Mocht er onverhoopt nog geen raadsman zijn toegevoegd dan is de voorzitter van het bevoegde gerecht bevoegd tot het geven van een last tot aanwijzing van een raadsman. Hiermee wordt in alle gevallen gegarandeerd dat een raadsman de belangen van betrokkene kan vertegenwoordigen in de beroepsprocedure." De raadsman is daarom bevoegd om te handelen i.h.k.v. de belangenbehartiging van betrokkene. Aangezien de in hoofdstuk 7a van de RWN neergelegde regeling aan de betrokken procespartijen gelijke rechtsmiddelen toekent is deze regeling in overeenstemming met het beginsel van 'equality of arms'. Hoger beroep ontvankelijk.
2. Uit ABRvS 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2529, r.o. 2.2, volgt dat geen sprake is van een besluit a.b.i. art. 1:3 lid 1 Awb, wanneer de rechtsgevolgen van een besluit met de nadere motivering niet zijn gewijzigd. Met de brief is niet beoogd om het besluit van 11 september 2017 in te trekken en te vervangen. Evenmin behelst de brief een inhoudelijke wijziging van het besluit, ook niet van het onderliggende rechtsoordeel. Het rechtsgevolg van het besluit van 11 september 2017 is met de nadere motivering van 25 juli 2019 niet gewijzigd. De brief van 25 juli 2019 is dan ook geen besluit. Hoewel de rb de brief ten onrechte heeft besproken i.h.k.v. art. 6:19 Awb, heeft zij de brief inhoudelijk terecht als een aanvullende motivering aangemerkt. De rb heeft verder terecht overwogen dat van een geheel nieuw feitencomplex geen sprake is. De inhoud van de brief is niet ten onrechte in het geding betrokken. De rb heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2019. De raadsman van A. heeft daarmee drie maanden de tijd gehad om kennis te nemen van de brief en de daarin vermelde individuele ambtsberichten. Tegen een intrekking van het Nederlanderschap krachtens art. 14 lid 4 RWN staat geen bezwaar open. A. is daarom geen instantie ontnomen om zich over de inhoud van de brief uit te laten.
3. In art. 6 MNW staat dat de Marokkaanse nationaliteit van rechtswege wordt verkregen door afstamming van één Marokkaanse ouder. Sinds de wijziging van de MNW in 2007 is art. 6 ook van toepassing op alle personen die voor 1 mei 2017 zijn geboren uit een Marokkaanse moeder. Het overgangsrecht dat in art. 6 MNW is opgenomen heeft tot gevolg dat de verkrijging van rechtswege terugwerkende kracht heeft. De rb heeft daarom terecht overwogen dat A. bij zijn geboorte van rechtswege zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit heeft verkregen. De enkele stelling dat afstand kan worden gedaan van de Marokkaanse nationaliteit d.m.v. een verklaring als bedoeld in art. 19 MNW is daartoe onvoldoende. Uit de op 24 maart 2020 overgelegde gelegaliseerde verklaring van de Marokkaanse autoriteiten blijkt niet dat A. de Marokkaanse nationaliteit niet bezit of dat hij daarvan afstand heeft gedaan.
4. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van hoofdstuk 7a van de RWN (TK, 2015/16, 34 356 (R2064), nr. 3, p. 12 en 13) volgt dat de raadsman de belangen van betrokkene kan behartigen, maar bijvoorbeeld ook voor of namens hem toestemming kan verlenen aan de rb tot inzage van onderliggende stukken. Dat het voor gemachtigde onmogelijk zou zijn om bij A. na te gaan of hij achter de door hem gemaakte keuze staat, betekent daarom niet dat hij niet bevoegd was toestemming te geven om mede op grondslag van de onderliggende stukken van de individuele ambtsberichten uitspraak te doen, a.b.i art. 8:29 lid 5 Awb. De Afdeling ziet geen aanleiding tot het doen van een tussenuitspraak, omdat zij Wassenaar d.m.v. het geven van een nadere reactietermijn voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om voorwaardelijk toestemming te verlenen of te weigeren. Wassenaar heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid, terwijl niet valt in te zien waarom hij dit niet had kunnen doen. Met het volharden van gemachtigde in zijn standpunt dat hij de toestemming kan weigeren noch kan geven, heeft hij niet expliciet de krachtens de wet vereiste toestemming verleend aan de Afdeling om mede op grondslag van de onderliggende stukken van de individuele ambtsberichten uitspraak te doen. Daardoor moet het ervoor worden gehouden dat de toestemming niet is verleend.
5. Zoals eerder overwogen (ABRvS 30 december 2020, JV 2021/38 nt G.R. de Groot, ECLI:NL:RVS:2020:3045) staat het de staten die partij zijn bij het EVN niet vrij om in andere gevallen te voorzien in het verlies van nationaliteit dan die het EVN toestaat. Een betrokkene vormt een gevaar voor de nationale veiligheid wanneer hij is aangesloten bij een terroristische organisatie. Verder blijkt uit de wetsgeschiedenis bij art. 14 lid 4 RWN dat de rol van een betrokkene binnen de organisatie niet doorslaggevend is, maar dat dit wel van belang kan zijn voor de proportionaliteitsafweging. Het is dus geen vereiste dat een betrokkene zelf geweld heeft gebruikt. Verder is eerder overwogen (r.o. 10.3 ABRvS 17 april 2019, JV 2019/117 nt G.R. de Groot, ECLI:NL:RVS:2019:990) dat de SvJ&V moet aantonen dat deze aansluiting heeft voortgeduurd tot en met 11 maart 2017, de datum waarop het besluit tot vaststelling van de lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict in werking is getreden. Na maart 2017 nam A niet meer actief deel aan de strijd, maar zamelde hij geld in voor broeders en zusters ter plaatse en heeft hij er bewust voor gekozen om te blijven wonen in ISIS-gebied, aldus het ambtsbericht. De SvJ&V heeft daarmee aangetoond dat A ook na 11 maart 2017 de door de ISIS nagestreefde doelen onderschreef en voor die organisatie handelingen heeft verricht. De SvJ&V heeft daarom terecht  gesteld dat de aansluiting bij ISIS ook na maart 2017 heeft voortgeduurd. De rb heeft terecht overwogen dat de SvJ&V het motiveringsgebrek met de brief van 25 juli 2019 heeft hersteld en heeft zij terecht aanleiding gezien om het geschil op dit punt finaal te beslechten. De rb had het motiveringsgebrek echter niet met toepassing van art. 6:22 Awb mogen passeren, maar het besluit van 11 september 2017 wegens dat gebrek moeten vernietigen. Wel had de rb in het herstel van het motiveringsgebrek aanleiding moeten zien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De Afdeling vernietigt de uitspraak in zoverre.
6. Dat de SvJ&V na de uitspraken van de ABRvS van 17 april 2019 niet in alle zaken de motivering kon aanvullen en daarom niet in alle zaken de intrekking van het Nederlanderschap in stand is gebleven, betekent niet dat de SvJ&V deze regeling willekeurig toepast. Zie ook ABRvS 2 november 2016, ve16002134
7. Zoals volgt r.o. 9.2 is aan de vereisten van art. 14 lid 4 RWN voldaan. Niet valt in te zien dat de SvJ&V in redelijkheid niet voor die grondslag heeft mogen kiezen.
8. Gelet op ABRvS 30 december 2020 faalt het betoog dat de intrekking van het Nederlanderschap van A discriminatoir is wegens het door de SvJ&V bij het toepassen van deze maatregel gemaakte onderscheid tussen monopatride en bipatride Nederlanders. Dat in die zaak het Nederlanderschap krachtens art. 14 lid 2 RWN was ingetrokken, terwijl in deze zaak het Nederlanderschap krachtens art 14 lid 4 RWN is ingetrokken is geen relevant verschil.
9. De SvJ&V heeft niet ten onrechte gesteld dat aan de belangen van de kinderen onvoldoende gewicht toekomt om van intrekking van het Nederlanderschap af te zien. De kinderen zijn in Syrië geboren. Niet valt in te zien waarom hij het gestelde gezinsleven met hen niet in Marokko kan uitoefenen. Daarbij komt dat de kinderen geen Nederlander zijn. Dat de kinderen mogelijk in aanmerking kunnen komen voor het Nederlanderschap is niet van belang. De SvJ&V heeft terecht gesteld dat dit een onzekere gebeurtenis betreft en daarom niet betrokken kan worden in de belangenafweging. Uit punt 47 van het arrest Tjebbes, 12 maart 2019, JV 2019/102 nt S. Peers, ECLI:EU:C:2019:189, blijkt overigens dat bij minderjarigen een zelfstandige evenredigheidsbeoordeling moet worden gemaakt. De intrekking van het Nederlanderschap is niet onevenredig.
10. Voor zover gemachtigde betoogt dat de het Nederlanderschap van A niet had mogen worden ingetrokken, omdat de SvJ&V hem ten onrechte ongewenst heeft verklaard, verwijst de Afdeling naar wat zij daarover in de uitspraak van vandaag, ve21001282, heeft overwogen.
11. Gelet op ABRvS 30 december 2020 faalt het betoog van Wassenaar dat aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het Hof over de intrekking van de nationaliteit van een lidstaat na een afwezigheid van minder dan 10 jaar. Namens A wordt gevraagd om het HvJEU prejudiciële vragen te stellen over de bevoegdheid van een lidstaat om de nationaliteit van een betrokkene in te trekken zonder strafrechtelijke veroordeling, met gebruikmaking van informatie afkomstig van een geheime dienst, en indien deze bevoegdheid bestaat, welke omstandigheden daarbij moeten worden betrokken. De Afdeling merkt op dat het individuele ambtsbericht van 23 juli 2019 aldus voldoende informatie biedt om het besluit van de SvJ&V te kunnen dragen.
12. De rb uitspraak is na 2 jaar, 3 maanden en 17 dagen gedaan. De zaak is echter per 15 mei 2018 aangehouden op verzoek van de toenmalige raadsman van A, omdat de ouders van A op de hoogte waren geraakt van het besluit en om een andere raadsman hadden gevraagd. Gemachtigde heeft vervolgens op 2 april 2019 de rb meegedeeld de zaak over te nemen. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de termijn met deze periode, te weten 10 maanden, te verlengen waarmee de redelijke termijn niet is overschreden
Hoger beroep A. gegrond; vernietigt Rb Den Haag 28 januari 2020, 17/7083 en 19/2238; beroep gegrond; rechtsgevolgen blijven in stand. 
--- Persbericht ABRvS met ECLI nrs. van de andere 6 uitspraken van 30 april 2021, waaronder ve21001282.

Aanvullende opmerkingen
Wet