Overslaan en naar de inhoud gaan

ve10001128 24-07-2010, Vb 2000 - Wijziging i.v.m. Richtlijn 2003/86, Stb. 306

Datum document
24-07-2010
Auteur
MvJ
Kenmerk

Stb. 2010, 306

Redacteur
Wim Verberk
Vindplaats
Stb. 2010, 306
Trefwoorden
Gezinshereniging en gezinsvorming
Gezinshereniging, ouderenbeleid (incl. situatie vanaf 1 okt 2012)
Middelenvereiste / Middelen van bestaan
Richtlijn 2003/86 Gezinshereniging
Studie
Vb 2000
Omschrijving

Op 30 juli 2010 in het Staatsblad (nr. 306) gepubliceerd besluit dat er toe strekt het in de artt. 3.13 e.v. Vb 2000 opgenomen gezinsherenigingsbeleid in overeenstemming te brengen met de verplichtingen die voor Nederland voortvloeien uit Richtlijn 2003/86 Gezinshereniging (ve03001574). Het betreft met name wijziging van maatregelen die in het belang van de integratie van onderdanen van derdelanders zijn getroffen bij besluit van 29 september 2004 (Stb. 2004, 496; ve04001708), waarbij de Richtlijn is geïmplementeerd. De wijzigingen zijn noodzakelijk geworden door het arrest Chakroun (JV 2010/177, ve10000350).
Bij brieven van 12 maart 2010 (TK 32175, 8; ve10000389) en 2 juli 2010 (32175, 11; ve10001003) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de gevolgen van het arrest.
Art. 3.74 lid 1, onder b, en lid 3 Vb 2000 voorziet in nadere invulling van de hoogte van de voldoende middelen van bestaan bij regeling van de Minister: zie het gewijzigde art. 3.19 VV 2000 (ve10001129).
Zie Aanvullende opmerkingen voor de belangrijkste wijzigingen met enige toelichting.
Inwerkingtreding: 31 juli 2010.
--- In de Staatsblad publicatie zijn extra bladwijzers toegevoegd.
--- Zie ve10001038 voor het advies van de Raad van State van 28 april 2010.

Aanvullende opmerkingen
Aanvullende opmerking

De belangrijkste wijzigingen.

● De minimumleeftijd van de gezinsmigrant respectievelijk de hoofdpersoon, ongeacht of de gezinsmigratie plaats vindt i.h.k.v. gezinsvorming of gezinshereniging, wordt 21 jaar (wijziging art. 3.14 en 3.15 Vb 2000). (*)
● Het onderscheid in inkomensvereiste tussen gezinsvorming en gezinshereniging vervalt (wijziging art. 3.22 Vb 2000).
● De in artikel 16 lid 1, onder c, Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan zijn in ieder geval (**) voldoende, indien de som van het (bruto)loon, bedoeld in art.16 Wet financiering sociale verzekeringen, uit arbeid in loondienst, het bruto inkomen uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een socialeverzekeringswet waarvoor premies zijn afgedragen, de bruto-winst uit arbeid als zelfstandige en het inkomen uit eigen vermogen (uitgegaan wordt van een fictief rendement van 4% van het gemiddelde eigen vermogen tussen 1 januari en 31 december) ten minste gelijk is aan het (bruto)minimumloon, bedoeld in de art. 8 lid 1, onder a, en 14 Wml, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in art. 15 Wml (art. 3.74 nieuw lid 1 aanhef en onder a Vb 2000).
● De normbedragen voor gezinnen, alleenstaande ouders en alleenstaanden worden voortaan uitgedrukt in percentages van het Wml. Voor gezinnen geldt 100% van het Wml (€ 1.416,-), voor alleenstaande ouders 90% (€ 1.274,40) en voor alleenstaanden 70% (€ 991,20). De laatste twee zijn met 20% verhoogd (***); dit heeft te maken met art. 25 Wwb (art. 3.74 nieuw lid 3 jo art. artikel 3.19 nieuw lid 1 en 2 VV 2000, ve10001129).
● Niet langer is vereist dat een student naast een netto-inkomen ten minste gelijk aan het normbedrag voor uitwonende studenten, bedoeld in de Wsf 2000, moet beschikken over aanvullende middelen om het college- of lesgeld te kunnen voldoen (art. 3.74 nieuw lid 3 Vb 2000)
Voor degene die het verblijf financiert van een vreemdeling voor de verblijfsdoelen familiebezoek, au pair, medische behandeling of het ouderenbeleid, zijn de middelen van bestaan voldoende als deze ten minste gelijk zijn aan het toepasselijke bedrag voor de financier, aangevuld met 50% voor elke vreemdeling (art. 3.19 nieuw lid 3 VV 2000, ve10001129). Voor de financier van een student geldt de toepasselijke norm voor de financier, aangevuld met het normbedrag voor uitwonende studenten (art. 3.19 nieuw lid 4 VV 2000, ve10001129). (***)

(*)   In zijn noot bij Commissie/Nederland (JV 2010/237, ve10000639) merkt Groenendijk onder punt 14 op dat het na dit arrest duidelijk is dat een dergelijke verhoging bij echtgenoten van Turkse werknemers strijdig zou zijn met het EU recht.

(**)   Met de woorden “in ieder geval” is beoogd aan te geven dat de in art. 3.74 lid 1 Vb 2000  opgenomen inkomensnormen gelden als referentiebedragen. Wat betreft gezinshereniging betekent dit dat zij niet gelden als minimuminkomen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van iedere aanvrager. Dit volgt uit (r.o. 48 van) het arrest Chakroun. (Nota van toelichting, p. 18)

Opmerkelijk hierbij is dat in het ‘Besluit modern migratiebeleid’ (ve10001127) in onderdeel EEE (p. 25) is voorzien in de volgende wijziging van art. 3.75 Vb 2000 (duurzaamheid middelen van bestaan), welke blijkens art. XIV van dat Besluit nog niet op 31 juli 2010 in werking treedt:
"1. In het eerste lid wordt «middelen van bestaan zijn duurzaam» vervangen door: middelen van bestaan zijn in ieder geval duurzaam.
2. In het tweede lid wordt «nog één jaar beschikbaar» vervangen door: nog beschikbaar.
3. De eerste volzin van het derde lid komt te luiden: In afwijking van het eerste lid, zijn middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens duurzaam, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven gedurende een aaneengesloten periode van drie jaren jaarlijks voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan nog beschikbaar zijn.
4. (...)"

Zie ook p. 156 van de Nota van toelichting en het advies van de Raad van State (ve10001132) onder punt 6. De Raad benadrukt in dit advies, alsmede in het advies (ve10001038) inzake wijziging Vb 2000 i.v.m. het arrest Chakroun/de Richtlijn, de plicht tot individualisering van de beslissing. Wat het Hof in Chakroun zegt op dat punt geldt niet alleen voor de ‘stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden’ in art. 7(1)(c), maar net zo goed voor de integratiemaatregelen van art. 7(2).
 

(***)   In de Vc 2000 is bij WBV 2010/12 (B1/4.3.3) (ve10001155) een overgangsregeling getroffen voor aanvragen verlenging verblijfsvergunning door alleenstaanden en alleenstaande ouders die voor 31 juli 2010 al waren toegelaten op de toen gelden normen: voor hen geldt in afwijking van art. 3.19 VV 2000 de norm van respectievelijk 50% en 70% van het wettelijk minimumloon.
De afwijkende normen gelden ook voor degenen die het verblijf financieren van vreemdelingen die voor 31 juli 2010 verblijf hebben gekregen.
Deze overgangsregeling geldt tot 31 juli 2013.

Uit art. 3.103 Vb 2000 volgt het overgangsrecht voor op 31 juli 2010 lopende aanvragen: deze worden getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven gunstiger is..

Zie ook IND Werkinstructie 2010/8, p. 4 (ve10001123).
Zie ook het nieuwsbericht op de website van de IND.

Wet
Wet
Vb 2000