HvJEU: rechter in laatste instantie is verplicht te motiveren indien geen prejudiciële vraag wordt gesteld
24/03/2026
In de zaak Remling moest het Hof zich erover uitspreken of het Unierecht verenigbaar is met de mogelijkheid die het Nederlandse recht aan een hoogste rechterlijke instantie biedt om een hoger beroep af te wijzen met een verkorte motivering. De Nederlandse wettelijke regeling dient ertoe met het oog op een goede rechtsbedeling de duur van gerechtelijke procedures te verkorten en deze rechterlijke instantie in staat te stellen meer tijd te besteden aan belangrijke zaken. Het Hof wijst op de fundamentele rol van de prejudiciële procedure in het algemeen en van de verwijzingsplicht in het bijzonder voor het gerechtelijke stelsel van de Unie, en herinnert er vervolgens aan dat een hoogste rechterlijke instantie slechts in drie gevallen kan worden vrijgesteld van de verplichting om een prejudiciële vraag te stellen: als de aan de orde gestelde vraag van Unierecht niet relevant is, als de betrokken bepaling van Unierecht al door het Hof is uitgelegd of als die uitlegging zo voor de hand ligt dat daarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan. Indien een hoogste rechterlijke instantie meent dat een van de drie uitzonderingen zich voordoet, moet zij haar weigering om zich tot het Hof te wenden in alle gevallen motiveren door specifiek en concreet uiteen te zetten waarom er volgens haar geen aanleiding is om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen. Die rechterlijke instantie kan daarvoor de motivering van de lagere rechter in het betrokken geding overnemen, mits die heeft uitgelegd waarom de zaak onder een van de drie bovengenoemde uitzonderingsgevallen valt.