Overslaan en naar de inhoud gaan

ve10001155 26-07-2010, WBV 2010/12 - Wijziging B1, B2, B3, B5, B6, B8, B10, B11, B17, B18 - Richtlijn 2003/86 + Adoptiekinderen en pleegkinderen + Model M67

Datum document
26-07-2010
Auteur
MvJ
Kenmerk

WBV 2010/12

Redacteur
Wim Verberk
Vindplaats
WBV 2010/12
Trefwoorden
Adoptie
Gezinshereniging en gezinsvorming
Middelenvereiste / Middelen van bestaan
Modellen en formulieren
Pleegkinderen
Richtlijn 2003/86 Gezinshereniging
Vc 2000
WBV
Omschrijving

Op 3 augustus 2010 in de Staatscourant (nr. 12370) gepubliceerd Wijzgingsbesluit 2010/12 waarbij de Vreemdelingencirculaire wordt gewijzigd in overeenstemming met de wijziging van het Vb 2000 (Stb. 2010, 306; ve10001128) en het VV 2000 (Stcrt. 12083; ve10001129) m.i.v. 31 juli 2010 n.a.v. het arrest Chakroun (JV 2010/177, ve10000350). Daarnaast bevat het WBV ook wijzigingen m.b.t. verblijf van adoptiekinderen en pleegkinderen.
Zie Aanvullende opmerkingen voor een korte artikelsgewijze toelichting.
Inwerkingtreding: 4 augustus 2010 en werkt terug t/m 31 juli 2010.

Aanvullende opmerkingen
Aanvullende opmerking

KORTE ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

● B1/4.3.1 Zelfstandige middelen van bestaan; B1/4.3.2 Duurzaamheid van de middelen van bestaan; B1/4.3.3 Voldoende middelen van bestaan; B1/4.3.4 Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
Aanpassing aan art. 3.74 Vb 2000. Dit betekent in zijn algemeenheid dat het (bruto) inkomen voldoende is indien het sv-loon uit arbeid in loondienst, het bruto inkomen uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een socialeverzekeringswet waarvoor premies zijn afgedragen, de bruto-winst uit arbeid als zelfstandige, dan wel 4% van het eigen vermogen op jaarbasis tenminste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag zoals dat in art. 3.74 lid 1, onder a, Vb 2000 is neergelegd. Uit dit artikel volgt dat het inkomen voldoende is indien het minimaal gelijk is aan 100% van het wettelijk minimaal loon. In het VV 2000 is geregeld dat de normbedragen voor alleenstaanden en alleenstaande ouders respectievelijk 70% en 90% van het wettelijk minimumloon bedragen. De verhoging van deze normen met 20% is gelegen in art. 25 Wet werk en bijstand, dat de verhoging regelt van de landelijke bijstandsnorm met een toeslag van maximaal 20% van het wettelijk minimumloon.
Art. 3.103 Vb 2000 is van toepassing op vreemdelingen die voor de wijziging van het beleid een aanvraag hebben ingediend. Ook is in een overgangsregeling gewaarborgd dat de verhoging van de norm voor alleenstaanden en alleenstaande ouders gedurende drie jaar na inwerkingtreding van het beleid niet geldt voor die vreemdelingen die voor deze datum zijn toegelaten en een aanvraag verlenging geldigheidsduur verblijfsvergunning indienen.
Omdat bij arbeid in loondienst het sv-loon uitgangspunt is, worden de inhoudingen voor spaarloonregeling en levensloopregeling niet meer beschouwd als zelfstandige middelen van bestaan. Deze maken geen deel uit van het sv-loon.
Bij zelfstandige inkomsten uit eigen vermogen wordt opgemerkt dat het forfaitaire bedrag waar de Belastingdienst vanuit gaat (4%) een jaarinkomen betreft. Dit bedrag moet worden gedeeld door 12 (maanden) alvorens het kan worden vergeleken met het normbedrag als bedoeld in art. 3.74 lid 1 Vb 2000.
Geschrapt zijn verouderde omschrijvingen van uitkeringen de lijst met soorten inkomen die in ieder geval niet aangemerkt kunnen worden als zelfstandige middelen van bestaan.
● B2/2.5 Leeftijd van beide echtgenoten of geregistreerd partners; B2/2.10 Middelen; B2/4.7 Leeftijd van beide partners; B2/4.11 4.11 Middelen
Aanpassingen n.a.v. het arrest Chakroun. Het begrip ‘referentiebedrag’ is geïntroduceerd om aan te gegeven dat de inkomensnorm geen minimuminkomen is, waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager. De wijzigingen m.b.t. de leeftijd strekken ertoe dat de minimumleeftijd van de vreemdeling, respectievelijk de hoofdpersoon bij wie verblijf wordt beoogd, ongeacht of de voorgenomen gezinsmigratie plaats vindt i.h.k.v. gezinsvorming of -hereniging, voortaan 21 jaar is.
● B2/5.10 Middelen; B2/6.10 Middelen; B2/7.8 Afwijking van het middelenvereiste; B3/3.2 Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning; B5/4.6.4.5 Middelen van bestaan; B5/7.4.1 Middelenvereiste; B8/2.1 Voorwaarden voor verblijf medische behandeling; B13/2 Voorwaarden familiebezoek:
De normbedragen zijn in overeenstemming gebracht met die als genoemd in art. 3.74 lid 1, onder a, Vb 2000 en art. 3.19 VV 2000.
● B3/2.3 Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning; B3/2.5.3 vervalt; B3/3.2 Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning; B3/3.3.2 Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
- Paragraaf B3/2.5.3: De controletaak van de politie ingevolge de Wobka wordt geschrapt. Het model M67 is daarmee ook achterhaald.
- Paragraaf B3/3.2: Verduidelijkt is dat de aanvraag wordt afgewezen indien niet d.m.v. officiële gelegaliseerde bescheiden wordt aangetoond (B2/8), dat de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger, alsmede – voor zover vereist – de autoriteiten in het land van herkomst instemmen met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant pleegouders. Expliciet is opgenomen dat het gezag van de aspirant pleegouders over het kind moet zijn geregeld. Toegevoegd is dat in situaties waarbij sprake is van reeds in Nederland verblijvende illegaal opgenomen (familie)pleegkinderen die niet voldoen aan het (familie)pleegkinderenbeleid, de IND hiervan melding maakt bij het landelijk Bureau van de Raad voor de Kinderbescherming.
De normbedragen zijn in overeenstemming gebracht met die als genoemd in art. 3.74 lid 1, onder a, Vb 2000 en art. 3.19 VV 2000.
- B3/3.3.2: Bij de bescheiden die de aspirant-pleegouders dienen te overleggen wordt thans ook bescheiden genoemd, waaruit blijkt dat het gezag over het pleegkind is geregeld. De pleegouders moeten kunnen aantonen dat het gezag formeel bij hen belegd is.
● B5/4.6.4.5 Middelen van bestaan; B5/7.4.1 Middelenvereiste; B17/5.4 Middelen van bestaan; B18/3.1 Middelen van bestaan
De loonbegrippen worden in overeenstemming gebracht met die van art. 3.74 Vb 2000.
● B6/2.3.1 Voldoende middelen van bestaan; B6/7.2 Middelen van bestaan
Aanpassing aan het gewijzigde art. 3.74 lid 2 Vb 2000. Bij de toelating van studenten blijft het uitgangspunt gehandhaafd dat de student (netto) moet kunnen beschikken over het (netto) normbedrag voor uitwonende studenten o.g.v. de Wsf 2000. Niet langer is echter vereist dat de student daarnaast moet beschikken over aanvullende middelen om het college- of lesgeld te kunnen voldoen. Voor zover de studie geheel of gedeeltelijk wordt gefinancierd door een in Nederland verblijvende persoon, geldt dat die persoon moet beschikken over een (bruto) inkomen dat ten minste voldoende is om te voorzien in het levensonderhoud van het eigen gezin (100% minimumloon), aangevuld met de norm voor uitwonende studenten op grond van de Wet studiefinanciering 2000.
In B6/2.3.1 is een overgangsregeling opgenomen voor vreemdelingen die voor 31 juli 2010 al zijn toegelaten bij een alleenstaande of alleenstaande ouder.
● B10/4.1.1 Voldoende middelen van bestaan; B11/5.2 Verblijfsvoorwaarden; B11/6.3 Toegang en verblijf in Nederland
Paragrafen in overeenstemming gebracht de gewijzigde artt. 8.12 lid 3 en 8.15 lid 6 Vb 2000. 
● Model M 67 (Staat van inlichtingen adoptie) vervalt om reden als hiervoor bij B3/2.5.3 vermeld.