Overslaan en naar de inhoud gaan

ve10002114 25-11-2010, HvJEU, C-434/09 (McCarthy) - Conclusie A-G

Datum uitspraak
25-11-2010
Instantie
HvJEU
Zaaknummer
C-434/09
Redacteur
Gerd Westendorp
Trefwoorden
Discriminatie
EU burger(schap)
Gezinshereniging en gezinsvorming
Richtlijn 2004/38 Verblijfsrecht
Kernbegrippen

EU-burger / Vrij verkeer van personen / Dubbele nationaliteit / Verblijfsrichtlijn 2004/38 / Gezinshereniging / Discriminatie eigen onderdanen

Inhoud

De AG geeft het Hof in overweging de prejudiciële vragen inzake S. McCarthy als volgt te beantwoorden:
Een burger van de Unie die de nationaliteit van twee EU-lidstaten bezit, doch uitsluitend in één van die twee staten heeft gewoond, komt in deze staat niet in aanmerking voor een recht van verblijf op grond van richtlijn 2004/38.
--- ve10001908: prejudiciële vragen en de verwijzingsbeslissing Supreme Court. 
--- Zie Aanvullende opmerkingen voor de slotopmerkingen van de A-G.
--- De VK Amsterdam (8 oktober 2010, AWB 10/8642, 10/8644, 10/25952) heeft een zaak aangehouden n.a.v. deze prejudiciële vragen.
--- Het arrest van het HvJ wordt verwacht op 5 mei 2011.

Aanvullende opmerkingen
Aanvullende opmerking

Slotopmerkingen van de A-G
58. Volgens de door mij voorgestelde oplossing kan een burger van de Unie in de situatie van S. McCarthy zich niet op het recht van de Unie beroepen om voor zichzelf en haar familieleden een verblijfsrecht te verkrijgen in de lidstaat waar zij steeds heeft gewoond en waarvan zijn de nationaliteit bezit.
59. Zoals het Hof van Justitie echter reeds in de zaak Metock(61) heeft aangestipt, zijn alle lidstaten partij bij het EVRM(62). Ook al voorziet het EVRM niet in een recht voor een vreemdeling om zich naar een bepaald land te begeven en daar te verblijven, zou het afbreuk kunnen doen aan de eerbiediging van het gezinsleven in de zin van artikel 8, lid 1, EVRM dat een persoon geen toestemming krijgt om zich te begeven naar en te verblijven in het land waar zijn naaste verwanten wonen.(63)
60. In deze omstandigheden valt niet volledig uit te sluiten dat het Verenigd Koninkrijk op grond van de omstandigheid dat het partij is bij het EVRM verplicht is om G. McCarthy verblijfsrecht te verlenen als echtgenoot van een in Engeland wonende Britse staatsburger. Dit punt betreft echter niet het recht van de Unie, maar alleen de omstandigheid dat het Verenigd Koninkrijk gehouden is het EVRM in acht te nemen, en alleen de nationale rechterlijke instanties en in voorkomend geval het Europees Hof voor de rechten van de mens zijn bevoegd om daarover te oordelen.