Overslaan en naar de inhoud gaan

ve11000202 24-01-2011, TK 32420, 10 - Reactie MvIA op briefadvies ACVZ n.a.v. tweede nota van wijziging voorstel wijziging Vw 2000 implementatie Terugkeerrichtlijn

Datum document
24-01-2011
Auteur
MvI&A
Kenmerk

2011-0000046878 / KST 32420, 10

Redacteur
Wim Verberk
Trefwoorden
Richtlijn 2008/115 Terugkeer
Vw 2000
Beschrijving

De MvIA geeft op verzoek van de Kamer een (uitvoerige) reactie op het briefadvies van de ACVZ d.d. 17 januari 2011 (ve11000158) over de tweede nota van wijziging (ve10002228) bij het voorstel tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de Terugkeerrichtlijn 2008/115 (ve09000077).
De minister deelt niet de conclusie dat de combinatie van de verplichte oplegging van het nieuwe Europese inreisverbod, tezamen met de categoriale strafbaarstelling van de overtreding daarvan en de onmogelijkheid om rechtmatig verblijf te hebben gedurende het verbod op gespannen voet staat met het evenredigheidsbeginsel.
Weliswaar volgt uit de Richtlijn zelf niet dat overtreding van het inreisverbod strafbaar moet worden gesteld maar de minister acht een sanctionering noodzakelijk om het inreisverbod kracht bij te zetten. Zoals in de toelichting bij de tweede nota van wijziging vermeld, is de sanctionering in lijn met het door de RvS uitgebrachte advies van 1 april 2010 (TK 32420, 4, ve10000949) en vloeit de noodzaak van sanctionering voort uit het beginsel van gemeenschapstrouw als opgenomen in art. 4 lid 3 VEU (ve10001178).
Anders dan de ACVZ vindt de minister dat de maatregelen de toets aan het proportionaliteitsvereiste kunnen doorstaan. Het inreisverbod is per definitie (art. 3, punt 6, Richtlijn) een verbod op zowel toegang (binnenkomst) als verblijf. De sanctiedreiging versterkt de effectiviteit van het inreisverbod. Ook aan verblijf in weerwil van een ongewenstverklaring is een strafdreiging gekoppeld.
Er is voorts geen sprake van dat onvoldoende ruimte bestaat voor een individuele toetsing aan de in de Richtlijn erkende belangen van betrokkenen zoals het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind, het familie- en gezinsleven en de gezondheidstoestand van betrokkenen. Met die belangen wordt rekening gehouden bij de beoordeling van de - prealabele - vraag of de vreemdeling al dan niet een terugkeerbesluit ten deel dient te vallen, daarom nog voordat wordt toegekomen aan de vraag of er aanleiding bestaat om aan een zodanig voor de vreemdeling ongunstig besluit nog een inreisverbod toe te voegen. Van het terugkeerbesluit kan immers al te allen tijde worden afgezien in schrijnende gevallen, om humanitaire of andere redenen, gelet op art. 6 lid 4 Richtlijn. Voorts voorziet het voorgestelde art. 66a lid 8 er uitdrukkelijk in dat ook, in geval het opleggen van een inreisverbod o.g.v. het eerste lid is voorgeschreven, van het opleggen daarvan kan worden afgezien om humanitaire of andere redenen. De minister is het niet eens met de ACVZ dat aan de ter zake geldende beginselen van het Unierecht en de grondrechten voortvloeiende verplichting alleen kan worden voldaan in geval de hoofdregel (als opgenomen in het voorgestelde art. 66a lid 1) de ruimte laat voor een dergelijke afweging.