Overslaan en naar de inhoud gaan

ve16002559 08-10-2015, EHRM, Zaak 77212/12 (Korošec t Slovenië) [ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212]

Datum uitspraak
08-10-2015
Instantie
EHRM
Zaaknummer
77212/12
Redacteur
Seffie Helden van
Trefwoorden
Arbeidsongeschiktheid
Eerlijk proces
EVRM
Medisch advies
Medische omstandigheden
Sociale zekerheid
Kernbegrippen

Arbeidsongeschiktheidsuitkering / Medisch advies / Progressieve spierziekte / Equality of arms / Geen neutrale, onafhankelijke deskundige / Art. 6 lid 1 EVRM

Inhoud

Klager, geboren in 1980 te Ljubljana, Slovenië, lijdt aan een progressieve spierziekte en heeft 24 uur per dag hulp nodig. In 2006 kent het Sloveense Instituut voor Pensioenen en Arbeidsongeschiktheidsverzekering hem een uitkering toe ter hoogte van 70% van het normbedrag. In 2009 verzoekt hij deze te verhogen vanwege zijn verslechterende gezondheidstoestand. De arbeidsongeschiktheidscommissie van het Instituut, bestaande uit twee medisch specialisten, bracht advies uit op basis van door klager overgelegde medische documentatie en eigen onderzoek dat zij op klager uitvoerden. Op basis van dit advies wees het Instituut het verzoek af. Klager ging in bezwaar. Op basis van een advies van de eigen ‘hoger beroep’-adviescommissie wees het Instituut klagers verzoek andermaal af, waarna hij in beroep ging en de rechter verzocht om de benoeming van een onafhankelijke medisch deskundige. Deze rechter wees dit verzoek af, omdat de adviezen van de twee arbeidsongeschiktheidscommissies in overeenstemming waren met het andere verstrekte bewijs (nl. het verzoek van zijn huisarts en de rapporten van andere medische deskundigen). Ook in hoger beroep, in cassatie en bij het constitutionele hof kreeg de klager nul op het rekest. Klager klaagt dat de Sloveense rechters door hun beslissingen te baseren op de adviezen van de arbeidsongeschiktheidscommissies van het Instituut en geen gehoor te geven aan zijn verzoek om een onafhankelijke medische deskundige te benoemen, het beginsel van equality of arms (art. 6 lid 1 EVRM) hebben geschonden.
Equality of arms vereist dat iedere partij een redelijke mogelijkheid heeft zijn zaak naar voren te brengen onder omstandigheden die haar niet in een substantieel nadeligere positie doen verkeren dan de wederpartij. De opinie van een medisch deskundige heeft, nu deze doorgaans valt buiten de expertise van de rechter, waarschijnlijk een overwegende invloed op de beoordeling van de feiten en vormt daarmee een essentieel onderdeel van het bewijs. Een gebrek aan neutraliteit van de benoemde deskundige kan onder omstandigheden leiden tot een inbreuk op het beginsel van equality of arms. Om uit te maken of in een concreet geval sprake is van een schending van dit beginsel zijn van belang: a) de aard van de aan de deskundige opgedragen taak, b) de positie van de deskundige in de hiërarchie ten opzichte van het bestuursorgaan en c) de rol van de deskundige in de procedure en dan met name het gewicht dat aan diens bevindingen wordt toegekend door de rechter.
I.c. waren de betrokken deskundigen afhankelijk van het Instituut, nu zij door die instantie benoemd werden, en heeft klager niet de gelegenheid gehad om de bevindingen van de arbeidsongeschiktheidscommissies te weerspreken, aangezien de rechterlijke instanties zijn verzoek tot benoeming van een onafhankelijke medische deskundige hebben afgewezen. Bovendien baseerden de rechters hun uitspraak in beslissende mate op deze bevindingen. Gelet op al deze factoren bevond klager zich niet in een vergelijkbare positie met de wederpartij, het bestuursorgaan dat besliste over zijn uitkering, en is daarmee sprake van schending van het beginsel van equality of arms.
Het Hof oordeelt unaniem dat art. 6 lid 1 EVRM is geschonden.
--- Zie over dit arrest de artikelen van prof. dr. P. Lemmens en prof. mr. G. de Groot in NJB 2017, afl. 9.
--- Zie ook de blog van het Montaigne centrum door Jim Waasdorp.