Overslaan en naar de inhoud gaan

ve18000156 25-01-2018, EHRM, 22696/16 (J.R. e.a. - Griekenland) [ECLI:CE:ECHR:2018:0125JUD002269616]

Datum uitspraak
25-01-2018
Instantie
EHRM
Zaaknummer
22696/16
Redacteur
Gerd Westendorp
Trefwoorden
Asielzoekers
Griekenland
Onmenselijke behandeling / Marteling
Ontvankelijkheid
Rechtsbijstand
Vrijheidsbeperking
Vrijheidsontneming
Kernbegrippen

Omstandigheden detentie in hotspot op Chios niet in strijd met artt. 3 en 5 lid 1 onder f EVRM / Informatievoorziening in strijd met art. 5 lid 2 EVRM / Geen schending klachtrecht, art. 34 EVRM

Inhoud

De Afghaanse klagers J.R., N.R. en A.M.R. zijn op 21 maart 2016 op het Griekse eiland Chios aangekomen. De zaak betreft het plaatsen van klagers en N.R.'s minderjarig kinderen (vier en zeven jaar oud) in de hotspot, bekend als "VIAL centre" in een verlaten fabriek. Klagers stellen dat de omstandigheden in VIAL in strijd zijn met art. 3 EVRM en klagen dat in strijd met art. 5 lid 1 en 2 EVRM de detentie niet rechtmatig is en te lang duurde. Zij stellen geen informatie te hebben ontvangen over de reden van detentie.
1. VIAL is op 21 april 2016 een half open instelling geworden. Klagers konden VIAL overdag verlaten. Er was aldus tussen 21 maart 2016 en 21 april 2016 sprake van detentie en vanaf 21 april van vrijheidsbeperking. De klacht is gedeeltelijk ontvankelijk. (r.o. 83-87)
2. De detentie valt binnen het doel van art. 5 lid 1 onder f EVRM. Een maand voor de noodzakelijk administratieve formaliteiten is niet excessief. Klagers zijn na 1 maand en 10 dagen vrijgelaten nadat zij kenbaar hadden gemaakt asiel te willen aanvragen. De detentie was rechtmatig. Art. 5 lid 1 onder f EVRM is niet geschonden. (r.o. 108-116)
3. Hoewel klagers konden weten dat zij Griekenland onrechtmatig waren binnengekomen, is het mogelijk dat zij niet hebben geweten dat zij onder de Turkijedeal vielen die één dag voor hun arrestatie werd gesloten. Zelfs als zij een informatiebrochure hadden gekregen, was de inhoud hiervan onvoldoende om hen te informeren over de reden van arrestatie en de mogelijkheden hiertegen op te komen. Schending van art. 5 lid 2 EVRM. (r.o. 119-124)
4. De feiten vonden plaats in een periode van exceptionele en sterke stijging van migratie naar Griekenland, wat organisatorische, logistieke en structurele moeilijkheden meebracht. Gelet op het abslute karakter van art. 3 EVRM ontslaat dit staten niet van hun plicht te voorkomen dat personen onder onmenselijke omstandigheden worden vastgehouden. Verscheidene NGO's hebben VIAL bezocht en sommige van de klachten van klagers bevestigd. Het CPT was niet bijzonder kritisch in een recent rapport over de omstandigheden in VIAL. De duur (30 dagen), de gezondheidszorg, het gebrek aan informatie en rechtsbijstand en de slechte kwaliteit van water en voedsel was niet van dien aard, dat sprake is van een schending van art. 3 EVRM. (r.o. 136-147)
5. De klacht van J.R. dat art. 34 EVRM is geschonden faalt. Er is geen aanleiding aan te nemen dat het doel van de ondervraging van J.R. tot doel had hem te bewegen zijn aanvraag te wijzigen of in te trekken. Ook is hij niet gehinderd in het effectief uitoefenen van zijn recht op een individuele aanvraag. (r.o. 148-153)
Het Hof oordeelt unaniem dat art. 3 en 5 lid 1 EVRM niet geschonden zijn en art. 5 lid 2 wel geschonden is; de staat is zijn verplichtingen onder art. 34 EVRM nagekomen; schadevergoeding.
--- Lees ook het commentaar van Annick Pijnenburg op Strasbourg Observers.

Extra bestanden