Overslaan en naar de inhoud gaan

ve19000321 04-02-2019, Vzr Rb Amsterdam (civiel), C/13/658742 / KG ZA 18-1343 MW/MV, JV 2019/66, ECLI:NL:RBAMS:2019:691

Datum uitspraak
04-02-2019
Instantie
Rechtbank Amsterdam
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2019:691
Zaaknummer
C/13/658742 / KG ZA 18-1343 MW/MV
Redacteur
Nadia Ouden den
Trefwoorden
Brexit
EU burger(schap)
Feitelijke handeling / Andere handeling
Ontvankelijkheid
Onrechtmatige daad
Verenigd Koninkrijk
Kernbegrippen

Brexit / Britten in Nederland vorderen zekerheid over hun verblijfspositie en schadevergoeding / Informatieverstrekking / Niet-ontvankelijk in civiele procedure / Moeten zich tot bestuursrechter wenden / Art. 72 lid 3 Vw 2000

Inhoud

Vier Britse burgers, woonachtig in Nederland, vorderen bij de civiele rechter dat de Nederlandse staat moet garanderen dat zij na de Brexit hun EU-burgerschapsrechten behouden. Ook vorderen zij dat de Staat de informatie op de website van de IND aanpast, deze is nu onjuist waardoor de Staat onrechtmatig handelt. Ook verzoekt het viertal de civiele rechter om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. Verweerder stelt dat eisers niet-ontvankelijk zijn bij de civiele rechter. In art. 72 lid 3 Vw 2000 is bepaald dat voor een vreemdeling niet alleen beroep openstaat tegen een jegens hem door een bestuursorgaan gegeven beschikking, maar ook tegen een door bestuursorgaan jegens hem verrichte rechtens relevante (feitelijke) handeling. Eisers stellen wel ontvankelijk te zijn bij de civiele rechter omdat deze zaak in de eerste plaats gaat om de informatieverstrekking door de overheid. Dit is een feitelijk handelen, waartegen geen bestuursrechtelijke weg openstaat.
De vorderingen onder onder IV, V en X houden - kort gezegd- in, een gebod aan de Staat om de reis- en verblijfsrechten van eisers te respecteren en te garanderen, aan eisers bewijs te verschaffen dat zij een permanent verblijfsrecht in Nederland hebben, dan wel een gebod aan de Staat om de reis- en verblijfsrechten van eisers niet te beperken zonder een individuele toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Vordering XII gelast de staat maatregelen te treffen die ervoor zorgen dat de reis- en verblijfsrechten en het recht op privé- en familieleven voortvloeiende uit artt. 20 VWEU en art. 8 EVRM worden gerespecteerd, beschermd en gegarandeerd. Deze vier vorderingen houden direct verband met de verblijfstatus van eisers in Nederland. Indien eisers het niet eens zijn met de brieven van de Staatssecretaris hierover, omdat zij menen dat hun rechten verder strekken dan in de brief is opgenomen, biedt art. 72 lid 3 Vw 2000 hun de mogelijkheid hiertegen in bezwaar en beroep te komen. T.a.v. deze vorderingen geldt dan ook dat eisers niet-ontvankelijk zijn in dit kort geding. De vreemdelingenrechter is bij uitstek aangewezen om eisers hierin rechtsbescherming te bieden.
Dit ligt voorshands hetzelfde bij de vorderingen I tot en met III, VII en IX die zien op een juiste informatie voorziening door de Staat en die zijn gegrond op een door de Staat gepleegde beweerde onrechtmatige daad. In wezen wensen eisers met het instellen van deze vorderingen een oordeel te verkrijgen (d.m.v. een prejudiciële verwijzing naar het HvJEU) over hun verblijfspositie in Nederland. Eisers streven met het instellen van deze vorderingen klaarblijkelijk geen ander belang na dan het ter discussie stellen van de juistheid van de rechtsopvatting over art. 20 VWEU die aan de publicatie op de website van de IND ten grondslag ligt, zulks met oog op de vaststelling van hun toekomstige rechtspositie als vreemdeling na een 'harde' Brexit. Dit vormt onvoldoende grond om de civiele rechter rechter rechtsbescherming te laten bieden. De door eisers gestelde burgerrechtelijke grondslag van de vorderingen, is daarom onvoldoende om de bevoegdheid van de burgerlijke rechter aan te nemen. (HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1103). Verklaart eisers niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Aanvullende opmerkingen
Wet