Overslaan en naar de inhoud gaan

ve17002667 13-12-2017, ABRvS, 201609584/1/V3 [ECLI:NL:RVS:2017:3379]

Datum uitspraak
13-12-2017
Instantie
Raad van State
ECLI
ECLI:NL:RVS:2017:3379
Zaaknummer
201609584/1/V3
Redacteur
Gerd Westendorp
Trefwoorden
Aanvraag, asiel
Non-refoulement
Onderzoeksplicht
Ontvankelijkheid
Richtlijn 2013/32 Asielprocedure (herschikking)
Veilige (derde) landen
Vluchtelingen / Vluchtelingenstatus
Vluchtelingenverdrag
Kernbegrippen

Asiel / Veilig derde land / Band met en toegang tot Koeweit / Motiveringsgebrek t.a.v. naleving non-refoulement / Onduidelijkheid over situatie vluchtelingen / Artt. 38 Procedurerichtlijn, 3.37e VV 2000 en 3.106a Vb 2000

Inhoud

Anders dan bij veilige landen van herkomst, is niet vereist dat de SvJ&V veilige derde landen aanwijst en opneemt in een lijst. De SvJ&V kan in een concreet geval beoordelen of een land voor de vreemdeling een veilig derde land is. Daaraan moet gedegen onderzoek ten grondslag liggen, waarbij bepaalde informatiebronnen over de algemene situatie in het land zijn betrekken, en de SvJ&V moet het onderzoek en de beoordeling inzichtelijk maken (ABRvS 13 december 2017, ve17002668). De SvJ&V kan het veilige derde land vervolgens slechts tegenwerpen indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het land, dat het voor hem redelijk zou zijn daar naartoe te gaan en hij tot dit land wordt toegelaten. De SvJ&V moet dit aannemelijk maken.
1. De Syrische vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet opnieuw een verblijfs- of werkvergunning in Koeweit kan krijgen en er zijn redenen om aan te nemen dat hij zal worden toegelaten tot Koeweit. Hij heeft van 1980 tot 1990 en van 2004 tot 2015 in Koeweit verbleven en zijn familie, waaronder zijn echtgenote en kinderen, verblijft nog steeds in Koeweit. De SvJ&V heeft deugdelijk gemotiveerd dat sprake is van een band a.b.i. art. 3.106a lid 2 Vb 2000.
2. Gelet op de inhoud en recente datum van de door de vreemdeling ingebrachte stukken (o.a. Country Report on Human Rights Practices for 2015: Kuwait en Immigration detention in Kuwait), ligt het op de weg van de SvJ&V om de informatie over uitzettingen door de autoriteiten van Koeweit nader te onderzoeken. Nu de SvJ&V niet inhoudelijk is ingegaan op de ingebrachte stukken, heeft hij niet deugdelijk gemotiveerd dat Koeweit het beginsel van non-refoulement naleeft. Bovendien is niet duidelijk of tussen de UNHCR en Koeweit afspraken bestaan over het eerbiedigen hiervan bij door de UNHCR erkende vluchtelingen. De Rb heeft ten onrechte overwogen dat de SvJ&V zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat is voldaan aan art. 3.106a lid 1 onder c Vb 2000.
3. De SvJ&V heeft met de verwijzing naar UNHCR en US State Department rapporten uit 2014 niet deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling in Koeweit volgens de in art 3.106a lid 1 Vb 2000 vermelde beginselen wordt behandeld. Niet duidelijk is wat de houding van de autoriteiten van Koeweit is tegenover de door de UNHCR erkende vluchtelingen in dat land, ook wanneer die niet beschikken over een 'work sponsor'. Zo is onduidelijk wat de concrete situatie van een vluchteling is indien hij niet (meer) legaal in Koeweit verblijft, of - en op welke termijn - in dat geval hervestiging plaatsvindt en welke voorzieningen de UNHCR verstrekt aan vluchtelingen die al dan niet in afwachting zijn van hervestiging. De Rb heeft dus terecht overwogen dat de SvJ&V niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat Koeweit voor de vreemdeling een veilig derde land is.
Hoger beroep SvJ&V ongegrond; incidenteel hoger beroep vreemdeling gegrond; bevestigt VK Roermond 13 december 2016, 16/26357 (ve16002516), met verbetering gronden.
--- Persbericht ABRvS