Overslaan en naar de inhoud gaan

ve11002329 23-08-2011, Advies Raad voor de Rechtspraak over concept-besluit wijziging Vb 2000 i.v.m. aanscherping eisen gezinsmigratie

Datum
23-08-2011
Auteur
Raad voor de rechtspraak
Vindplaats
2011/33
Redacteur
Wim Verberk
Trefwoorden
Gezinshereniging en gezinsvorming
Gezinshereniging, ouderenbeleid (incl. situatie vanaf 1 okt 2012)
Gezinshereniging, verruimde (incl. situatie vanaf 1 okt. 2012)
Vb 2000
Omschrijving

Advies inzake het ontwerpbesluit wijziging Vb 2000 i.v.m. aanscherping van de eisen van gezinsmigratie door een restrictievere invulling van de facultatieve bepalingen uit de Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86 (ve03001574). Het realiseert een aantal voornemens in het regeerakkoord, te weten:
- beperking van gezinsmigratie tot het kerngezin,
- invoering van een wachttermijn van een jaar voor de referent en
- verlenging van de vereiste termijn voor voortgezet verblijf van gezinsmigranten van 3 naar 5 jaar.
Bij het besluit om gezinsmigratie alleen bij gehuwden en geregistreerde partners toe te staan, vraagt de Raad zich af:
- hoe moet worden omgegaan met personen die niet een huwelijksakte of partnerschapregistratie kunnen overleggen, maar wel een langdurige relatie hebben waar bijvoorbeeld ook kinderen uit zijn voortgekomen;
- hoe de regeling uitpakt voor partners van hetzelfde geslacht. Niet in elk land is een huwelijk of geregistreerd partnerschap tussen partners van een gelijk geslacht mogelijk. (In de NvT wordt overigens aangekondigd dat het Ontwerpbesluit mogelijk nog zal worden aangevuld met een “uitzondering voor partners van gelijk geslacht”.)
De Raad verwacht dat het Ontwerpbesluit zal leiden tot extra zaken van ongehuwde of niet-geregistreerde partners (incl. wellicht partners van gelijk geslacht), meerderjarigen en 65-plussers die worden uitgesloten van gezinsmigratie. Al met al worden 472 extra zaken in jaar 1 na invoering verwacht, daarna voorziet de Raad een afnemend scenario. De totale verwachte extra kosten worden geschat op maximaal € 400.000,- per jaar ten gevolge van de extra zaken en, omdat deze zaken relatief bewerkelijk zijn, maximaal ongeveer € 200.000,- per jaar ten gevolge van het prijseffect.