Overslaan en naar de inhoud gaan

ve11002566 09-12-2010, VK Rb 's-Gravenhage zp Arnhem (mk), AWB 10/3025 [LJN: BT8780]

Datum uitspraak
09-12-2010
Instantie
Rechtbank Arnhem
Zaaknummer
AWB 10/3025
Redacteur
Gerd Westendorp
Trefwoorden
EU burger, familielid van
EU Regelgeving / EG Regelgeving
Misbruik van recht of procesrecht
Richtlijn 2004/38 Verblijfsrecht
Spanje
Kernbegrippen

Afgifte bewijs rechtmatig verblijf (art. 9 Vw 2000) / Ghana / Verblijfsrichtlijn 2004/38 / Familielid gemeenschapsonderdaan / Referente geen gebruik gemaakt van gemeenschapsrechten / Afgifte document verblijf bij Unieburger in Spanje / Geen vestiging in EU-lidstaat met oog op verrichten economische activiteiten / Referente geen gemeenschapsonderdaan / Art. 8 EVRM / Gemeenschapstrouw

Inhoud

De aanvraag afgifte van een document 'verblijf als familielid van gemeenschapsonderaan' van eiser van Ghanese nationaliteit is afgewezen. Niet in geschil is dat eiser door de Spaanse autoriteiten in het bezit is gesteld van een EU-document voor het doel ‘familielid burger van de Unie’. 
1. Uit art. 10 Verblijfsrichtlijn volgt, het aan de afgifte van een op deze bepaling gestoelde verblijfskaart voorafgaande onderzoek niet verder strekt dan dat een lidstaat beoordeelt of de aanvrager een familielid is van een unieburger en of de aanvrager in het bezit is van de in art. 10 lid 2 van de Richtlijn genoemde documenten. Uit het overgelegde document mag daarom niet worden afgeleid dat de Spaanse autoriteiten hebben onderzocht, en vervolgens vastgesteld, dat het familielid van de aanvrager, in dit geval referente, naast unieburger tevens gemeenschapsonderdaan is.
2. Uit art. 5 lid 2 en 6 lid 2 Richtlijn, volgt dat een derdelander die voorzien is van een geldig paspoort en houder is van de in art. 10 Richtlijn bedoelde verblijfskaart, met vrijstelling van de visumplicht het grondgebied van een andere lidstaat mag binnenkomen en daar gedurende maximaal drie maanden mag verblijven. De afgifte van de betrokken verblijfskaart is aldus niet zonder betekenis doch biedt geen grond voor het oordeel dat verweerder reeds daarom gehouden is eiser het in art. 9 lid 1 Vw 2000 bedoelde verblijfsdocument te verlenen. Vorenbedoeld beperkt verblijfsrecht betekent immers niet dat eiser moet worden aangemerkt als familielid i.d.z.v. art. 1, aanhef en onder e, sub 2 Vw 2000.
3. Uit de door eiser gestelde feiten en omstandigheden volgt niet dat referente zich in Spanje heeft gevestigd met het oog op het verrichten van economische activiteiten. Dat referente zich heeft ingeschreven in een Spaanse gemeente maakt dit niet anders nu dit, gelet op de brief, niet heeft geresulteerd in een daadwerkelijke vestiging in Spanje. Referente heeft aldus geen gebruik gemaakt van haar gemeenschapsrecht op vrij verkeer en aldus wordt dat recht ook niet belemmerd indien eiser zich niet bij haar zou kunnen voegen. Voor analoge toepassing van de Richtlijn als voormeld bestaat daarom geen aanleiding. Omdat referente daarom ook niet is aan te merken als gemeenschapsonderdaan, heeft verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien voor de afgifte van het in art. 9 lid 1  Vw 2000 bedoelde verblijfsdocument
4. Een mogelijke schending van art. 8 EVRM leidt niet tot afgifte van het gevraagde document. De vraag of eiser o.g.v. art. 8 EVRM, zowel voor zover deze bepaling het nationale recht regardeert alswel voor zover deze bepaling het EU-recht regardeert, verblijfsrecht in Nederland dient te worden toegestaan, is i.h.k.v. de betrokken aanvraag dan ook niet relevant. Het betreft slechts het onderzoek of eiser rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in art. 9 lid 1 Vvw 2000. Verweerder heeft daarom eraan voorbij mogen gaan dat ten onrechte niet aan deze verdragsbepaling is getoetst. Beroep ongegrond.
--- Zie anders VK Amsterdam 18 oktober 2011, ve11002552.