Overslaan en naar de inhoud gaan

ve19001623 05-06-2019, ABRvS, 201808670/1/V3, ECLI:NL:RVS:2019:1843

Datum uitspraak
05-06-2019
Instantie
Raad van State
ECLI
ECLI:NL:RVS:2019:1843
Zaaknummer
201808670/1/V3
Redacteur
Julia Boychuk
Trefwoorden
Bewaring
Toegang en toegangsweigering
Maatregel ex artikel 6 Vw 2000
Rechtsmiddelen
Rechtmatig verblijf
Bewaring, gronden
Richtlijn 2013/33 Opvang asielzoekers (herschikking)
Richtlijn 2008/115 Terugkeer
Bewaring, schadevergoeding
Kernbegrippen

Art. 6 Vw 2000 bevat geen geschikte grondslag voor vrijheidsontneming tijdens de rechtsmiddelentermijn / Arrest Gnandi / Beschikking C. J. en S.

Inhoud

De asielaanvraag van de vreemdeling is afgewezen en aan hem is een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd ex art. 6 Vw 2000.
1. De vreemdeling klaagt dat de Rb heeft miskend dat uit het arrest Gnandi, JV 2018/167 nt K.E. Geertsema (ve18002372) en uit de beschikking C.J. en S, JV 2018/168 nt K.E. Geertsema (ve18005861) volgt dat de rechtsgevolgen van de toegangsweigering tijdens de rechtsmiddelentermijn wel worden opgeschort. De Afdeling oordeelt in de uitspraak van vandaag, 5 juni 2019 (ve19001614) dat de rechtsgevolgen van het besluit tot toegangsweigering niet worden opgeschort gedurende de rechtsmiddelentermijn. De grief faalt.
2. Art. 8 lid 3 Opvangrichtlijn is alleen in art. 6 lid 3 Vw 2000 geïmplementeerd. Deze bepaling is echter slechts geschikt als grondslag voor vrijheidsontneming gedurende de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure. Dit wil zeggen tot een beslissing is genomen op dit verzoek. Art.6 lid 3 Vw 2000 kan daarom niet als grondslag dienen wanneer, zoals hier aan de orde, er al een beslissing is genomen op dat verzoek. Voor de periode na de beslissing op het asielverzoek. in de grensprocedure is art. 6 lid 6 Vw 2000 bedoeld.
Daarnaast volgt uit de uitspraak van vandaag dat het betoog van de SvJ&V dat art. 6 lid 6 Vw 2000 richtlijnconform kan worden geïnterpreteerd zodat hiermee eveneens invulling wordt gegeven aan art. 8 lid 3 onder b en/of c Opvangrichtlijn niet kan worden gevolgd. De reden daarvoor is dat een uitleg waarbij met art. 6 lid 6 Vw 2000 ook invulling wordt gegeven aan art. 8 lid 3 onder b en/of c Opvangrichtlijn niet verenigbaar is met de nationale wetgeving. Dit komt door de expliciete koppeling in art. 5.1a lid 4 Vb 2000 van art. 6 lid 6 Vw 2000 aan het risico op onttrekken aan het toezicht ofwel het gevaar op het ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van het vertrek of de  uitzettingsprocedure als bedoeld in art. 5.1a lid 1 Vb 2000. Deze gronden voor vrijheidsontneming zijn toegespitst op het vertrek of de uitzetting en daarmee zo geformuleerd dat de tekst van art. 8 lid 3 onder c Opvangrichtlijn daarin niet kan worden gelezen. Ditzelfde geldt voor art. 8 lid 3 onder b van die richtlijn. De Rb is derhalve, zij het op andere gronden, terecht tot het oordeel gekomen dat een interpretatie van art. 6 lid 6 Vw 2000 overeenkomstig de Opvangrichtlijn niet mogelijk is en de aan de vreemdeling opgelegde vrijheidsontnemende maatregel niet op een deugdelijke grondslag is gebaseerd.
Tot slot volgt uit de uitspraak van vandaag dat art. 6 lid 1 en 2 Vw 2000 evenmin als deugdelijke wettelijke grondslag dienen. Daargelaten dat in dit geval geen sprake is van de enkele toepassing van art. 6 lid 1 en 2 Vw 2000, aangezien toepassing is gegeven aan art. 6 lid 6 Vw 2000, kan ook art. 6 lid 1 en 2 Vw 2000 niet zo worden uitgelegd dat de vrijheidsontneming van asielzoekers zoals hier aan de orde in overeenstemming is met de Opvangrichtlijn. Dit omdat art. 6 lid 1 en 2 Vw 2000 vereist dat aan die vreemdeling de toegang tot Nederland is geweigerd en art. 8 lid 3 onder c Opvangrichtlijn vereist dat er nog een procedure gaande is waarin daarover een besluit wordt genomen.
Hoger beroep vreemdeling gegrond; vernietigt VK Rb Den Haag zp Amsterdam, van 26 oktober 2018 in zaak nr. NL18.18362; kent schadevergoeding toe.