Overslaan en naar de inhoud gaan

Nieuws

IND gaat weer beslissingen nemen op aanvragen gezinsvorming

29/04/2010

Nieuwsbericht

Na het arrest Chakroun besloot de IND om, zolang de regelgeving nog niet is aangepast aan de gevolgen van het arrest, geen besluiten meer te nemen op lopende aanvragen als niet wordt voldaan aan de 120% norm. Hier komt nu een einde aan.

Op 12 maart 2010 (ve10000389) informeerde de Minister van Justitie de Tweede Kamer over de consequenties van het arrest Chakroun (ve10000350) voor het toetsingskader bij gezinshereniging.
Op 23 maart berichte de IND op haar website dat, zolang niet duidelijk is hoe de regelgeving moet worden aangepast, de IND op lopende aanvragen in het kader van gezinsvorming in ieder geval geen besluit zal nemen als niet wordt voldaan aan de 120% norm.
Op 29 april bericht de IND op haar website dat de aanpassing van de regelgeving enige tijd in beslag neemt en dat, om de beslissingen op aanvragen in de bedoelde gevallen niet nog meer te vertragen, vanaf heden weer op deze zaken wordt beslist. Daarbij gelden, totdat het Vb 2000 en de Vc 2000 zijn aangepast, voor aanvragen om verblijf bij (huwelijks)partner de volgende voorwaarden, waarbij niet langer van belang is of sprake is van gezinshereniging of gezinsvorming:
Middelenvereiste. Als voldoende middelen van bestaan wordt aangemerkt een netto inkomen dat gelijk is aan de bijstandsnorm voor echtparen en gezinnen als bedoeld in artikel 21 van de Wet werk en bijstand. Op dit moment bedraagt deze norm € 1.299,04 inclusief vakantiegeld en € 1.234,09 exclusief vakantiegeld.
Leeftijdsvereiste. De leeftijdseis van 21 jaar wordt voor gezinsvormers tijdelijk verlaagd naar 18 jaar. Deze leeftijd gold al voor gezinsherenigers. Beide partners moeten dus 18 jaar of ouder zijn.
Deze voorwaarden gelden voor aanvragen die nu openstaan en aanvragen die worden ingediend voor de inwerkingtreding van de te wijzigen regelgeving. [wv]

Uitspraak HvJEU inbreukprocedure legesheffing Turkse onderdanen

29/04/2010

Nieuwsbericht

Het Hof van Justitie EU heeft uitspraak gedaan op het op 16 februari 2007 door de Europese Commissie aanhangig gemaakte beroep tegen Nederland waarin de Commissie stelde dat de legestarieven die door Nederland sedert 1994 worden geëist van Turkse onderdanen voor verblijfsvergunningen, in strijd zijn met de standstill- en nondiscriminatiebepalingen van de Associatieovereenkomst, het Aanvullend Protocol en Besluit 1/80.

Het Hof had in oktober 2008 de behandeling van de zaak geschorst tot de uitspraak van het arrest van 17 september 2009 in de zaak Sahin (JV 2009/402, ve09001278).
Het Hof concludeert in het arrest van 29 april 2010 (ve10000639) dat de standstillbepalingen in art. 41, lid 1, Aanvullend Protocol en in art. 13 Besluit 1/80 vanaf de inwerkingtreding van deze bepalingen van toepassing zijn op alle leges die van Turkse staatsburgers worden geëist voor de afgifte van een verblijfsvergunning inzake een eerste toelating of voor de verlenging van een dergelijke vergunning.
In het arrest Sahin is geconcludeerd dat een legesregeling als daar aan de orde een ingevolge art. 13 Besluit 1/80 verboden beperking is, aangezien daarbij voor de behandeling van een aanvraag verlening of verlenging van een verblijfsvergunning van Turkse staatsburgers op wie art. 13 van toepassing is, een legesbedrag wordt geëist dat onevenredig is aan het bedrag dat in vergelijkbare omstandigheden wordt gevraagd van burgers van de Unie.
Hiermee moet rekening worden gehouden in deze zaak, die betrekking heeft op alle leges die sinds 1994 van Turkse staatsburgers zijn geëist voor de verlening en verlenging van verblijfsvergunningen, zoals die met name zijn gewijzigd in 2002, 2003 en 2005. Het verschil tussen de legesbedragen voor Turkse staatsburgers en voor burgers van de Unie is in 2003 en 2005 nog groter geworden dan in 2002, het jaar dat aan de orde was in de zaak Sahin. Bovendien heeft het beroep niet alleen betrekking op Turkse staatsburgers die werknemer zijn, zoals in de zaak Sahin, maar ook op personen die gebruik willen maken van de vrijheid van vestiging of van het vrij verrichten van diensten krachtens de Associatieovereenkomst.
Nederlanden kan het verschil tussen de legesbedragen niet rechtvaardigen o.g.v. de omstandigheid dat Turkse staatsburgers niet op even volledige wijze als burgers van de Unie in aanmerking komen voor het vrije verkeer van werknemers, de vrije vestiging of het vrije verrichten van diensten in de Unie. De Commissie beroept zich terecht op de non-discriminatiebepalingen (art. 9 Associatieovereenkomst en art. 10 Besluit 1/80) en op art. 59 Aanvullend Protocol om na te gaan of de litigieuze leges de situatie van de Turkse staatsburgers niet op een met de standstillbepalingen strijdige wijze verslechterden in vergelijking met de situatie van burgers van de Unie.
Niet kan worden uitgesloten dat van Turkse staatsburgers geëiste leges die enigszins hoger zijn dan de leges die burgers van de Unie verschuldigd zijn voor de afgifte van soortgelijke documenten, in bepaalde bijzondere gevallen geacht kunnen worden evenredig te zijn. De bedragen variëren echter en het laagste bedrag is meer dan twee derde hoger dan de leges die van burgers van de Unie worden geëist. Een dergelijk verschil is niet gering en de litigieuze leges zijn dan ook in hun geheel onevenredig.
Hieruit volgt dat Nederland, door voor de afgifte van verblijfsvergunningen een stelsel in te voeren en te handhaven van leges die onevenredig zijn aan de leges die van burgers van de lidstaten worden geëist voor de afgifte van soortgelijke documenten, en door dit stelsel toe te passen op Turkse staatsburgers die verblijfsrecht in Nederland hebben o.g.v. de Associatieovereenkomst, het Aanvullend Protocol of Besluit 1/80, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens art. 9 Associatieovereenkomst, art. 41, lid 1, Aanvullend Protocol en de artt. 10, lid 1, en 13 Besluit 1/80. [wv]

Maatschappelijke opvang voor vreemdeling zonder vergunning, maar geen bijstand

27/04/2010

Nieuwsbericht

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in een uitspraak van 19 april 2010 dat een uit Algerije afkomstige vreemdeling, die in afwachting van de uitkomst van zijn procedure ter verkrijging van een verblijfsvergunning in Nederland mag blijven, recht heeft op maatschappelijke opvang door de gemeente.

Het verzoek van de uit Algerije afkomstige vreemdeling om maatschappelijke opvang (nachtopvang) is door het College van B&W Rotterdam afgewezen, omdat de Wet maatschappelijke ondersteuning het verstrekken van voorzieningen aan vreemdelingen zonder verblijfsvergunning uitsluit. De vreemdeling heeft ernstige medische klachten. Het onthouden van nachtopvang leidt er toe dat de geboden medische noodhulp weinig effect heeft. De Raad overweegt in de uitspraak (ve10000634) dat het onthouden van nachtopvang in deze situatie in strijd is met het recht op bescherming van privé- en gezinsleven, als bedoeld in art. 8 EVRM.
De gemeente moet onderzoeken of de Algerijn in aanmerking komt voor opvang door het Centraal orgaan opvang asielzoekers. In dat geval gaat de opvang door het COA voor boven de opvang door de gemeente. Zolang niet duidelijk is bij welke instantie de vreemdeling terecht kan, moet de gemeente maatschappelijke opvang bieden.
In een andere uitspraak van dezelfde datum (ve10000635) gaat het om een vreemdeling, afkomstig uit Turkije en eveneens in afwachting van de uitkomst van zijn procedure ter verkrijging van een verblijfsvergunning, die in het licht van art. 8 EVRM in vergelijkbare omstandigheden verkeert als de Algerijn.
De vreemdeling heeft ernstige medische klachten. Hij heeft medische verklaringen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de geboden nachtopvang in een slaapzaal schadelijk is voor zijn gezondheid. Het recht op bescherming van privé- en gezinsleven, als bedoeld in art. 8 EVRM, brengt in dit geval mee dat door de Staat in adequate opvang moet worden voorzien, maar verplicht niet tot het verlenen van bijstand o.g.v. de WWB. [wv]

Prejudiciële vraag ABRvS over artikel 6 Besluit 1/80

16/04/2010

Nieuwsbericht

De Afdeling heeft 13 april 2010 aan het Hof van Justitie EU gevraagd of artikel 6 Associatiebesluit 1/80 er aan in de weg staat dat een verblijfsvergunning van een Turkse werknemer met terugwerkende kracht wordt ingetrokken.

In de bij de ABRvS aanhangige zaak (ve10000568) betreft het een Turkse vreemdeling ten aanzien van wie de staatssecretaris van Justitie bij besluit van 28 december 2007 heeft beslist dat, nu de relatie met zijn partner sinds 2 april 2007 feitelijk is verbroken, hij m.i.v. die datum niet voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. Verder stelde de staatssecretaris dat zijn rechtmatig verblijf op 2 april 2007 is geëindigd en hij op dat moment korter dan één jaar legale arbeid had verricht bij de werkgever waar hij op 8 mei 2006 in dienst was getreden. Daarom komt hij niet in aanmerking voor voortgezet verblijf o.g.v. de Associatieovereenkomst EEG-Turkije, aldus de staatssecretaris.
Indien het in een uitspraak van 16 juli 2008 uitgesproken oordeel van de ABRvS in een andere zaak (JV 2009/3, ve08001952) wordt toegepast op deze zaak zou het verblijfsrecht van de vreemdeling vanaf 2 april 2007 niet langer onomstreden zijn, waardoor geen sprake zou zijn van minimaal een jaar legale arbeid, bedoeld in art. 6, eerste lid, eerste streepje, Besluit 1/80. Het is evenwel de vraag of dat oordeel in overeenstemming is met Besluit 1/80, gelet op het nadien door het Hof gewezen arrest Altun (JV 2009/43, ve08002110), waarin is overwogen dat de intrekking van een verblijfsvergunning wegens een frauduleuze handeling van een Turkse werknemer geen gevolg heeft voor het verblijfsrecht van de gezinsleden van die werknemer o.g.v. art. 7, eerste alinea, eerste streepje, Besluit 1/80, indien deze gezinsleden op de datum waarop de nationale autoriteiten hebben besloten de verblijfsvergunning in te trekken, voormeld verblijfsrecht hebben verworven, omdat elke andere uitleg zou indruisen tegen het rechtszekerheidsbeginsel.
Verder gaat de Afdeling er niet van uit dat het arrest m.b.t. de door de VK Roermond (JV 2008/23, ve07002118) gestelde prejudiciële vragen (Pehlivan, C-484/07, terechtzitting 15 april 2010; ve10000500) voldoende aanknopingspunten zal bevatten om de aanhangige zaak te beslechten.
De ABRvS stelt daarom de volgende prejudiciële vraag:
“Staat art. 6, eerste lid, eerste streepje, Besluit 1/80, mede gelet op het rechtszekerheidsbeginsel, eraan in de weg dat, in een situatie waarin geen sprake is van frauduleuze handelingen, de bevoegde nationale autoriteiten na het verstrijken van de termijn van een jaar van voormeld art. 6, eerste lid, eerste streepje, de verblijfsvergunning van een Turkse werknemer met terugwerkende kracht intrekken vanaf het tijdstip dat niet langer werd voldaan aan de nationaalrechtelijke grond voor verlening van de verblijfsvergunning?” [wv]

Pilot religieus verblijf van start

15/04/2010

Nieuwsbericht

De IND heeft vooruitlopend op de invoering van het Modern Migratiebeleid met ingang van 9 april 2010 een pilot religieus verblijf ingericht.

De pilot is beschreven in WBV 2010/7 (ve10000565) waarbij een paragraaf 7 ‘Pilot religieus verblijf’ aan hoofdstuk B19 ‘Verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden’ van de Vc 2000 is toegevoegd.
De pilot biedt de mogelijkheid om nader kennis te maken met de religieuze en levensbeschouwelijke organisaties in hun rol als referent. Tevens biedt de pilot de mogelijkheid om nadere invulling te kunnen geven aan de Wav uitvoeringsregels ten aanzien van religieuzen, in het bijzonder in welke gevallen toetsing op betaling van tenminste het wettelijk minimumloon bij aanvragen om een tewerkstellingsvergunning achterwege kan blijven en in welke gevallen kan worden afgezien van de verplichte vacaturemelding en de arbeidsmarkttoets.
De verblijfsvergunning wordt verleend voor ten hoogste één jaar onder de beperking ‘verblijf conform beschikking Minister’ en wordt aangemerkt als een tijdelijk verblijfsrecht.
De pilot heeft een tijdelijk karakter en eindigt uiterlijk op de datum van inwerkingtreding van het Modern Migratiebeleid. [wv]

Notificatieregeling art. 1e Besluit uitvoering Wav ondeuglijk

17/03/2010

Nieuwsbericht

De ABRvS heeft geoordeeld dat de op 1 december 2005 in werking getreden 'notificatieregeling' geen wettelijke grondslag heeft. Dit betekent dat in geval van grensoverschrijdende dienstverlening van werknemers bij het achterwege blijven van notificatie (dan wel het niet volledig of niet tijdig notificeren), geen bestuurlijke boete op grond van de Wav kan worden opgelegd.

De notificatieregeling is opgenomen in artikel 1e Uitvoeringsbesluit Wav en voorziet er in dat voor onderdanen van die Lid-Staten waarvoor het vrij verkeer van werknemers nog niet geldt in geval van zogenoemde "zuivere" dienstverlening, bijvoorbeeld aanneming van werk, de eis van een tewerkstellingsvergunning is vervallen. Voor die gevallen kan worden volstaan met een melding door de werkgever van de arbeid in Nederland voor de aanvang daarvan aan de CWI. Bij het niet voldoen aan de vereisten van die regeling herleeft de in art. 2 lid 1 Wav neergelegde eis om over een tewerkstellingsvergunning te beschikken.
De Afdeling overweegt in de uitspraak dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG (thans EU) volgt dat de situatie waarin een lidstaat het verrichten van diensten vanuit een andere lidstaat met gebruikmaking van in dienst zijnde werknemers waarvoor het vrij verkeer van werknemers nog niet geldt, afhankelijk stelt van de eis van een tewerkstellingsvergunning, een met het gemeenschapsrecht strijdige belemmering van het vrij verkeer van diensten inhoudt (art. 49 EG-Verdrag, thans art. 56 VWEU (ve08000709)). [wv]

EU-recht stelt grenzen aan intrekking naturalisatiebesluit

16/03/2010

Nieuwsbericht

Het Hof van Justitie EU heeft bepaald dat het EU-recht grenzen stelt aan de bevoegdheid van de lidstaten tot het intrekken van een door naturalisatie verkregen nationaliteit, waanneer die ten gevolge van bedrog was verkregen.

In het arrest Rottmann (2 maart 2010, C-135/08, ve10000329) oordeelde het Hof van Justitie EU dat art. 17 EG-verdrag (thans art.20 VWEU) zich er niet tegen verzet dat een lidstaat de door naturalisatie verkregen nationaliteit van die lidstaat van een burger van de Unie intrekt wanneer die tengevolge van bedrog was verkregen, mits deze intrekkingsbeslissing in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel is. Bij de toetsing van een besluit tot intrekking van de naturalisatie moet rekening worden gehouden met de eventuele gevolgen van dit besluit voor de betrokkene, en in voorkomend geval voor zijn gezinsleden, wat het verlies betreft van de rechten die elke Unieburger geniet. In dit verband dient met name te worden nagegaan of dit verlies gerechtvaardigd is in het licht van de ernst van de door hem gepleegde inbreuk, van het tijdsverloop tussen de naturalisatiebeslissing en het intrekkingsbesluit, en van de mogelijkheid voor de betrokkene om zijn vroegere nationaliteit terug te krijgen. [pb]

Recht op verblijf van verzorgende ouder bij kind van EU-werknemer: geen middeleneis

16/03/2010

Nieuwsbericht

Het Hof van Justitie EU heeft het recht van verblijf gepreciseerd van een verzorgende ouder bij een kind van een voormalige EU werknemer, als dat kind een schoolopleiding geniet.

Het gaat om de arresten Ibrahim (23 februari 2010, C-310/08, ve10000298) en Texeira (23 februari 2010, C-480/08, ve10000300). Aan de verzorgende ouder komt een verblijfsrecht toe zonder dat als voorwaarde wordt gesteld dat deze beschikt over voldoende bestaansmiddelen en een volledige ziektekostenverzekering. Dat recht eindigt bij de meerderjarigheid van het kind (18 jaar), tenzij het kind de aanwezigheid en de zorg van die ouder nog nodig heeft om zijn opleiding te kunnen voortzetten en voltooien.
Zie ook het eerdere arrest Baumbast (17 september 2002, C-413/99, ve03000284, rechtsoverwegingen 68 – 75). [pb]

Toelatingseisen gezinshereniging en gezinsvorming gelijkgetrokken

12/03/2010

Nieuwsbericht

De ministerraad heeft er mee ingestemd om, naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie EU in de zaak Chakroun, de toelatingsvoorwaarden voor gezinshereniging en gezinsvorming gelijk te trekken. Voortaan geldt de algemene eis van een stabiel en regelmatig inkomen, waarbij het minimumloon als referentiepunt dient. Verder wordt de minimumleeftijd voor beide partners 21 jaar.

Volgens het arrest van 4 maart 2010 (ve10000350), waarin het Hof antwoord gaf op prejudiciële vragen van de ABRvS (ve09000036) over de uitleg van Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86 (ve03001574), mogen lidstaten van de EU in hun voorwaarden voor toelating geen onderscheid maken tussen gezinsvormers en gezinsherenigers. In het Nederlandse beleid werd dit onderscheid wel gemaakt. Bij gezinshereniging moesten beide partners beide minimaal 18 jaar oud zijn en lag de inkomenseis voor gezinshereniging op de bijstandsnorm. Bij gezinsvorming moesten beide partners minimaal 21 jaar oud zijn en lag de inkomenseis op 120 procent van het minimumloon. Het Hof sprak echter uit dat, hoewel stabiele, regelmatige en voldoende inkomsten gevraagd mogen worden, deze hogere inkomenseis voor gezinsvormers in strijd is met de Richtlijn. Het Hof gaf daarbij ook aan dat steeds een individuele beoordeling van de omstandigheden noodzakelijk is.
Als gevolg van de beleidswijzigingen zal de instroom van gezinsvormers naar verwachting kunnen stijgen omdat de inkomenseis wordt verlaagd. Tegelijkertijd wordt er voor de komende jaren een daling van de totale instroom voorzien als gevolg van de verhoging van de leeftijdseis voor gezinshereniging. Bovendien zullen binnenkort de eisen voor het basisexamen inburgering in het buitenland worden verhoogd.
De beleidswijzigingen zijn in de brief van 12 maart 2010 (ve10000389) aan de Tweede Kamer meegedeeld en betreffen de minimaal noodzakelijke aanpassing om aan de uitspraak van het Hof gevolg te geven.
Voor zover aanvragen om gezinsvorming op het moment van de uitspraak op 4 maart in rechte onaantastbaar waren geworden ziet de Minister van Justitie geen mogelijkheid op deze beslissingen terug te komen. Het staat betrokkenen wel vrij een nieuwe aanvraag in te dienen. [wv]

Beleidskader toelating wegens dreiging van eergerelateerd geweld

05/03/2010

Nieuwsbericht

Op 3 maart 2010 is voor vreemdelingen die dreigen slachtoffer te worden van eergerelateerd geweld en die niet (meer) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning o.g.v. het huidige beleid, een beleidskader voor toelating in werking getreden.

Het beleidskader definieert hetgeen onder eergerelateerd geweld wordt verstaan en stelt de voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning verleend kan worden en is opgenomen in het WBV 2010/2 van 19 februari 2010 (Staatscourant 2010, nr. 3114; ve10000346), waarbij een nieuw hoofdstuk B20 aan de Vc 2000 wordt toegevoegd. Verder is voorzien in een vrijstelling van het mvv-vereiste; de mogelijkheid dat een aanvraag schriftelijk wordt ingediend en een legesvrijstelling.
Indien de vreemdeling naar Nederland komt om dreigend eergerelateerd geweld te ontvluchten is de asielprocedure de aangewezen weg.
Indien de vreemdeling pas in Nederland te maken krijgt met een dreiging van eergerelateerd geweld in Nederland, dan is de reguliere procedure de meest aangewezen weg.
Voor verlening van een verblijfsvergunning, moet naast dreiging in Nederland, ook dreiging in het land van herkomst aanwezig te zijn. Dan kan immers aannemelijk zijn dat betrokkene zich niet aan het gevaar in Nederland kan onttrekken door zich in het land van herkomst te vestigen.
De bij een toegelaten slachtoffer van eergerelateerd geweld verblijvende minderjarige kinderen kunnen een verblijfsvergunning krijgen, waarvan de geldigheidsduur aansluit bij de geldigheidsduur van de vergunning van de hoofdpersoon.
De vergunning zal, totdat eventueel een nieuwe beperking in het Vb 2000 wordt opgenomen, o.g.v. art. 3.4 lid 3 Vb 2000 worden verleend ‘conform beschikking Staatssecretaris’. [wv]