Overslaan en naar de inhoud gaan

Migratieweb - Uw online kennisbank

Migratieweb is de actuele juridische databank met nationale en internationale informatie over migratie. De redactie van Migratieweb wordt verzorgd door Stichting Migratierecht Nederland. Migratieweb is o.a. toegankelijk voor leden van de Werkgroep Rechtsbijstand in Vreemdelingenzaken (WRV). Ook gerechtelijke instanties en universiteiten maken gebruik van Migratieweb.

Nieuws

Invoering Wet Modern Migratiebeleid uitgesteld

15/11/2010

Nieuwsbericht

Het modern migratiebeleid zal niet op 1 januari 2011 in werking treden omdat niet is voldaan aan de randvoorwaarde voor de inwerkingtreding, een succesvolle uitrol van INDiGO op die datum.

Dit schrjift de minister voor Immigratie en Asiel op 12 november 2010 aan de Tweede Kamer (ve10002026).
Besloten is om een audit te laten uitvoeren naar het INDiGO-programma - het nieuwe informatiesysteem van de IND -, die moet leiden tot aanbevelingen op het gebied van de implementatie van het systeem en de risicobeheersing van het programma. Op basis van de resultaten van de audit kan een reële nieuwe invoeringsdatum voor de Wet Modern Migratiebeleid worden vastgesteld.
De gevolgen van het uitstel worden op zo kort mogelijke termijn geïnventariseerd. Voor het modern migratiebeleid geldt dat de huidige proeftuinen, waarin de deelnemende bedrijven en instellingen nu al profiteren van de kortere procedures en lagere administratieve lasten, worden voortgezet. De minister verwacht de Kamer begin 2011 over de uitkomsten van de audit en de verdere voortgang van INDiGO te kunnen berichten.
Zie ook het IND Nieuwsbericht [wv]

Geen uitzettingen asielzoekers naar Irak

03/11/2010

Nieuwsbericht

Nederland geeft gevolg aan een voorlopige voorziening van het EHRM van 2 november om geen asielzoekers terug te sturen naar Irak. Over ongeveer drie weken doet het Hof een definitieve uitspraak in de zaak.

Naar aanleiding van een interim measure van het EHRM van 2 november (nog niet beschikbaar) heeft Minister Leers van Asiel en Immigratie besloten om in ieder geval tot 24 november geen asielzoekers terug te sturen naar Irak. Over ongeveer drie weken doet het Hof een definitieve uitspraak in deze zaak.
Bij brief van 22 oktober van het EHRM (ve10001892) aan de vertegenwoordiger van de minister van Buitenlandse Zaken, wordt medegedeeld dat interim measures in geval van uitzettingen naar Bagdad zullen worden toegewezen door het Hof. Tevens wordt in deze brief gevraagd om voor 29 oktober informatie met betrekking tot uitzettingen naar Irak te verstrekken. De brief van 22 oktober werd eerst op 1 november bekend gemaakt. Groen Links heeft gevraagd om een spoeddebat naar aanleiding van het niet eerder bekend maken van de brief.
De Nederlandse regering heeft op 29 oktober de verzochte informatie verstrekt aan het Hof (ve10001897). Op 1 november heeft de Minister van Immigratie en Asiel een brief aan de Tweede Kamer gezonden (ve10001893) waarin wordt verwezen naar het ambtsbericht van 29 oktober 2010 (ve10001899) over de situatie in Irak over de periode van februari tot en met september 2010. Minister Leers van Immigratie en Asiel liet in een spoeddebat op 2 november weten dat hij op basis van dit ambtsbericht door wilde gaan met de uitzettingen. Met een motie van de Christen Unie is gepoogd om een op de agenda staande groepsuitzetting op 3 november te voorkomen. Deze werd echter verworpen met 73 tegen 70 stemmen. De minister gaat naar aanleiding van de interim measure van 2 november nu alsnog niet uitzetten naar Irak. [GW]
Zie ook Nieuwsbericht 24 november 2010.

Volle toets aan art. 8 EVRM bij uitzetting wegens ontbreken mvv

02/11/2010

Nieuwsbericht

De Afdeling is anders dan voorheen van oordeel dat bij de beoordeling of het ontbreken van een geldige mvv in een concreet geval kan worden tegengeworpen volledig getoetst moet worden dat de uitzetting van de vreemdeling verenigbaar is met art. 8 EVRM.

De vreemdeling stelt dat de vzr de tijdelijkheid van de terugkeer i.h.k.v. het mvv-vereiste van doorslaggevend belang acht en niet heeft onderkend dat beoordeeld dient te worden of haar uitzetting in strijd is met art. 8 EVRM.
Gelet op de toevoeging van onderdeel l aan art. 3.71 lid 2 Vb 2000 en de toelichting van de SvJ daarbij, is de Afdeling in haar uitspraak van 27 oktober 2010 (ve10001860), anders dan in de uitspraak van 9 november 2007 (JV 2008/14, (ve07002155) van oordeel dat bij de beoordeling of het ontbreken van een geldige mvv in een concreet geval kan worden tegengeworpen, uit een op die zaak toegespitste belangenafweging dient te blijken dat de uitzetting van de vreemdeling verenigbaar is met art. 8 EVRM. Bij deze beoordeling dient derhalve een volledige toets aan art. 8 EVRM plaats te vinden. Na zelf een volledige toets te hebben uitgevoerd stelt de Afdeling in onderhavige geval dat er geen reden is voor het oordeel dat de SvJ ten onrechte de uitzetting, en daarmee de weigering de vreemdeling een reguliere vergunning te verlenen, niet in strijd heeft geacht met art. 8 EVRM. [GW] 

 

Wijzigingen in Rijkswet op het Nederlanderschap treden in werking

28/09/2010

Nieuwsbericht

Op 1 oktober 2010 treedt een optieregeling voor zogenaamde latente Nederlanders in werking. Verder wordt de mogelijkheid om de oorspronkelijke nationaliteit te behouden bij naturalisatie verder beperkt en wordt bij optie (voor één categorie) de afstandseis ingevoerd. Ook wordt het mogelijk het Nederlanderschap in te trekken na een strafrechtelijke veroordeling voor een delict, waarbij ‘de essentiële belangen van het Koninkrijk ernstig zijn geschaad’.
Op 1 januari 2011 zal de ‘dubbele taaltoets Nederlandse Antillen en Aruba’ in werking treden.

Deze wijzigingen zijn opgenomen in de op 29 juni 2010 in het Staatsblad (nr. 242) gepubliceerde Rijkswet van 17 juni 2010 houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) met betrekking tot meervoudige nationaliteit en andere nationaliteitsrechtelijke kwesties. (ve10000946)
In samenhang daarmee wordt ook de Handleiding voor de toepassing van de RWN (HRWN 2003) gewijzigd.
Optierecht voor latente Nederlanders: zeven nieuwe optiemogelijkheden
Kinderen geboren voor 1 januari 1985 uit een Nederlandse moeder en niet Nederlandse vader, kunnen alsnog voor het Nederlanderschap opteren (art. 6 lid 1, onder i, RWN). Ook kinderen die voor 1 januari 1985 door een Nederlandse moeder als minderjarige (in dit geval is dat jonger dan 21 jaar) in het Koninkrijk zijn geadopteerd kunnen opteren (art. 6 lid 1, onder j, RWN). Voor deze optanten geldt de eis van toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk niet. Deze eis geldt wel voor minderjarige kinderen die in het Koninkrijk wonen en willen delen in de optie van hun ouder. Voor de kinderen geboren uit een ouder, die gebruik heeft gemaakt van dit nieuwe optierecht (art. 6 lid 1, onder i of j RWN), zijn echter aparte optiecategorieën gecreëerd (art. 6 lid 1, onder k t/m o RWN), waarbij de eis van toelating en hoofdverblijf niet geldt.
Zie WBN 2010/10 voor de wijzigingen in de HRWN 2003 (ve10000955).
Intrekking Nederlanderschap bij ernstig misdrijf
Het Nederlanderschap kan worden ingetrokken van diegene die onherroepelijk veroordeeld is voor een na de inwerkingtreding van deze wetswijziging gepleegd misdrijf, dat ‘de essentiële belangen van het Koninkrijk ernstig heeft geschaad’ (nieuw lid 2 art. 14 RWN). Hierbij kan gedacht worden aan terroristische misdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en bijvoorbeeld misdrijven tegen de veiligheid van het Koninkrijk, waarop een gevangenisstraf van ten minste 8 jaar staat.
Betrokkene mag door de intrekking niet staatloos worden (art. 14 lid 6 RWN).
Bij deze misdrijven geldt de vierjaar rehabilitatietermijn, als opgenomen in de HRWN 2003, niet.
Herkrijging van de Nederlandse nationaliteit is in principe niet mogelijk na het besluit tot intrekking, tenzij er tenminste vijf jaren zijn verstreken en sprake is van zeer bijzondere omstandigheden en nadat de Raad van State van het Koninkrijk daarover is gehoord (nieuw lid 3 art. 14 RWN).
Verder wordt de HRWN 2003 uitgebreid met een nieuw openbare orde punt in een nieuwe paragraaf 7 bij de Toelichting ad artikel 9 lid 1, onder a, RWN ‘Afwijzing indien ernstige vermoedens bestaan dat verzoeker een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk’:
“Om te kunnen spreken van gevaar voor de veiligheid van het Koninkrijk is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van (buitenlandse) ministeries.”
Deze normen voor afwijzing van een verzoek om naturalisatie zijn ook van toepassing op verzoeken om optie (HRWN 2003 paragraaf 6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid).
Zie WBN 2010/9 voor de wijzigingen in de HRWN 2003 (ve10000954).
Afstandeis bij naturalisatie
De verzoeker die vóór het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende vijf jaar aaneengesloten zijn hoofdverblijf in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, heeft gehad, is niet langer uitgezonderd van de verplichting afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Art. 9 lid 3, onder c, RWN vervalt.
De afstandsverplichting geldt voor deze groep onverkort bij een verzoek dat op of na 1 oktober 2010 wordt ingediend.
Zie WBN 2010/8 voor de wijzigingen in de HRWN 2003 (ve10000953).
Afstandseis bij optie
Voor de meerderjarige vreemdeling die sedert het bereiken van de leeftijd van vier jaar toelating en hoofdverblijf heeft in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba en die opteert voor het Nederlanderschap (art. 6 lid 1 onder e, RWN) geldt met ingang van 1 oktober 2010 ook de verplichting afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (nieuw art. 6a RWN).
Zie WBN 2010/7 voor de wijzigingen in de HRWN 2003 (ve10000952).
Als gevolg van de Rijkswet van 17 juni 2010 worden ook gewijzigd:
- het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BVVN) en het Besluit naturalisatietoets (BNT) (Stb. 310, ve10001156)
De wijzigingen in het BVVN treden op 1 oktober 2010 in werking.
Het BNT wordt in verband met de ‘dubbele taaltoets Nederlandse Antillen en Aruba’ (gewijzigd art. 8 lid 1, onder d, RWN) gewijzigd met ingang van 1 januari 2011.
- de Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (ve10001644).
Belangrijke parlementaire stukken:
ve09000235: voorstel van Rijkswet
ve09000236: memorie van toelichting
ve09001066: nota van wijziging
ve09001524: tweede nota van wijziging
ve10000175: derde nota van wijziging (tekstcorrecties in vierde nota, ve10000176).
Postnatale erkenning door niet-Nederlandse man
Los van voornoemde Rijkswet van 17 juni 2010 wordt de HRWN 2003 per 1 oktober 2010 ook gewijzigd naar aanleiding van de beschikking van de Hoge Raad van 10 juli 2009 (ve10000340), waarin is beslist dat kinderen die tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 postnataal zijn erkend door een niet-Nederlandse man en daarnaast voldoen aan de eisen van het toen geldende art. 3 lid 3 RWN, het Nederlanderschap verwerven o.g.v. de derde generatieregel in art. 3 lid 3 (oud) RWN vanaf datum van de erkenning.
De Handleiding werkt de nieuwe wetsuitleg uit voor drie perioden (omdat in die perioden de gevolgen van een erkenning door een Nederlandse man ook verschillend waren). Deze perioden zijn: 1) van 1 januari 1985 tot 1 april 2003; 2) van 1 april 2003 tot 1 maart 2009; 3) van 1 maart 2009 tot heden.
Zie WBN 2010/5 voor de wijzigingen in de HRWN 2003 (ve10000917).
Zie ook:
ve10000378: Nederlanderschap en kleinkinderen van immigranten: de derde generatieregel, C.S. Poortman, Asiel&Migrantenrecht 2010, nr. 1.
ve10001544: Uitbreiding verkrijging Nederlandse nationaliteit op grond van grootouderartikel - José Guit, B&R nr. 9. [wv] - laatst bijgewerkt 01-10-2010 
                                                                                            PDF versie Nieuwsbericht

Regelgeving verzwaring basisexamen inburgering buitenland klaar

11/09/2010

Nieuwsbericht

Het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt aangepast om de verhoging van het niveau van de Toets Gesproken Nederlands naar niveau A1 en de invoering van een schriftelijke toets mogelijk te maken.
Beoogd wordt deze aanpassingen op respectievelijk 1 januari en 1 april 2011 in te voeren.

Op 15 juli 2010 heeft de Raad van State geadviseerd over het ontwerpbesluit voor de wijziging van het Vb 2000. Dit advies werd samen met het Nader rapport van 27 augustus 2010 en de gewijzigde tekst en nota van toelichting op 10 september 2010 in de Staatscourant gepubliceerd (ve10001435).
Het basisexamen wordt door wijzingen in art. 3.98a Vb 2000 op twee onderdelen gewijzigd:
1)   verhoging van het niveau van de Toets Gesproken Nederlands (TGN) van niveau A1-min naar niveau A1 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen;
2)   toevoeging van de schriftelijk toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen (BGL).
Verder wordt er een bevoegdheid tot ontheffing ingevoerd door aan art. 3.71a lid 2 Vb 2000 een onderdeel d toe te voegen op grond waarvan een aanvraag verblijfsvergunning niet wordt afgewezen als de vreemdeling het basisexamen niet met goed gevolg heeft afgelegd en afwijzing van die aanvraag naar het oordeel van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Volgend de nota van toelichting zal het daarbij gaan om situaties waarin een combinatie van zeer bijzondere individuele omstandigheden ertoe leidt dat de vreemdeling blijvend niet in staat is om de toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen (GBL) met goed gevolg af te leggen. Hierbij dient de vreemdeling bovendien aanmerkelijke inspanningen te hebben geleverd, wat bijvoorbeeld kan blijken uit het één of meermalen afleggen van het basisexamen, waarbij wel een positief resultaat is behaald voor de Toets Gesproken Nederlands (TGN) en de toets Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) maar geen positief resultaat is behaald voor de toets GBL. Over de invulling hiervan worden nadere regels gesteld door de Minister voor WWenI.
In reactie op het advies van de Raad van State stelt de regering vooralsnog geen aanleiding te zien om aan art. 13 Besluit 1/80 gevolgen te verbinden voor het basisexamen voor gezinsleden van Turkse werknemers. De voortschrijdende jurisprudentiële ontwikkelingen zullen nadere duiding moeten geven aan de reikwijdte van het Associatierecht, ook in relatie tot het stellen van voorafgaande integratievoorwaarden aan gezinsleden van Turkse werknemers. Temeer daar het basisexamen een snelle en effectieve integratie in Nederland beoogt, aldus het Nader rapport.
Ingevolge het advies van de Raad van State is in de nota van toelichting nader gemotiveerd waarom de regering niet verwacht dat a priori groepen vreemdelingen worden uitgesloten van de komst naar Nederland door de invoering van de toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen (GBL) dan wel dat de Wib geen stand zou houden binnen de internationale rechtsorde (bijv. art. 8 EVRM en art. 7 Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86. 
De algemene conclusie in het ACVZ advies van 22 februari 2010 (nog niet openbaar; zie ook Briefadvies huwelijks- en gezinsmigratie d.d. 19 februari 2010, p. 4-5, ve10000943) – het verrichten van nader onderzoek, alvorens over te gaan tot verzwaring van de exameneisen, naar de vraag of de verhoging van het niveau A1 van de Toets Gesproken Nederlands en het invoeren van een schriftelijke toets het voor bepaalde groepen a priori onmogelijk maakt om te slagen voor het basisexamen in het buitenland – wordt niet gedeeld. [wv]
Zie ook
ve09001070: Onderzoek Triarii mei 2009, Randvoorwaarden niveau A1 inburgeringsexamen buitenland - Hoofdrapport en Feitenonderzoek en scenario’s 
ve09001645: Rapport IND - Monitor Inburgeringsexamen Buitenland 2009
ve09001344: Brief 2 oktober 2009 over Kabinetsaanpak huwelijks- en gezinsmigratie (TK 32175, 1)

ABRvS houdt vreemdelingenzaken Dublin/Griekenland aan

03/09/2010

Nieuwsbericht

De ABRvS zal aanhangige hogerberoepszaken die betrekking hebben op de overdracht van vreemdelingen aan Griekenland o.g.v. de Dublinverordening en waarin ter zake van de toepasselijkheid van art. 3 lid 2 Dv het interstatelijk vertrouwensbeginsel aan de orde is, voorlopig aanhouden.

De reden hiervoor is dat het Court of Appeal van Engeland en Wales op 12 augustus 2010 (ve10001288) prejudiciële vragen heeft gesteld aan het HvJEU over de reikwijdte van art. 3 lid 2 Dv. De Afdeling wacht de antwoorden van het Hof af.
Zie ook de mededeling op de website van de Raad van State. [wv]

Inburgeringsplicht Wi in strijd met Associatierecht EEG-Turkije

17/08/2010

Nieuwsbericht

De rechtbank Rotterdam heeft in twee recente uitspraken geoordeeld dat de in de Wet inburgering opgenomen inburgeringsverplichting in strijd is met het Associatierecht met Turkije.

Het betreft uitspraken van 12 augustus 2010 met betrekking tot een zogeheten oudkomer (ve10001201) en een nieuwkomer (ve10001204) met de Turkse nationaliteit.
De rechtbank baseert zich mede op arrest van het HvJEU van 29 april 2010 (Commissie - Nederland, JV 2010/237, ve10000639), waarin het Hof een oordeel gaf over de van Turkse onderdanen en hun familieleden geheven legestarieven.
De rechtbank overweegt in beide uitspraken dat, nu artikel 5 lid 2 onder a Wi Unieburgers vrijstelt van de inburgeringsplicht, het opleggen van deze plicht aan de betreffende eisers in strijd is met  de discriminatieverboden in artikel 9 Associatieovereenkomst EEG-Turkije en artikel 10 Besluit 1/80. Net als het HvJEU ziet de rechtbank geen aanleiding om deze bepalingen restrictief uit te leggen. Bovendien wordt geoordeeld dat sprake is van strijd met artikel 13 besluit 1/80 omdat de inburgeringsplicht een maatregel is die van invloed is op de omstandigheden waaronder een Turkse werknemer in Nederland arbeid verricht en verblijft en deze maatregel is ingevoerd na 1 december 1980. Op grond van artikel 13 besluit 1/80 zijn nieuwe belemmerende maatregelen voor Turken op de arbeidsmarkt na voornoemde datum niet toegestaan.
Zie ook hetgeen Kees Groenendijk reeds in zijn noot bij JV 2010/237 opmerkte over de gevolgen van voornoemd arrest van het HvJEU voor de Wet inburgering (alswel de Wet inburgering buitenland).
Onder punt 7 van zijn noot wijst hij op artikel 5 lid 2, onder d, Wet inburgering: "de persoon die anderszins op grond van bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 7 kan worden opgelegd."
De Associatieovereenkomst EEG-Turkije (art. 9) en Besluit 1/80 (artt. 10 en 13) zijn een verdrag en een besluit als bedoeld in die bepaling. [GW/WV]

Wijzigingen gezinshereningbeleid en middelenvereiste

31/07/2010

Nieuwsbericht

Met ingang van 31 juli 2010 is de Nederlandse regelgeving aangepast naar aanleiding van het arrest Chakroun van 4 maart 2010 van het HvJEU. De 120% inkomensnorm bij gezinsvorming en het verschil in leeftijdseisen bij gezinsvorming en gezinshereniging zijn verlaten. Verder wordt het referentiebedrag van het inkomensvereiste alleen nog uitgedrukt in (percentages van) het bruto-minimumloon. Ook zijn de referentie(norm)bedragen voor alleenstaanden en alleenstaande ouders verhoogd.

De wijzigingen zijn opgenomen in:
• het besluit van 24 juli 2010 tot wijziging van het Vb 2000 (ve10001128);
• het besluit van 27 juli 2010 tot wijziging van het VV 2000 (ve10001129);
• WBV 2010/12 van 26 juli 2010 (ve10001155).
De belangrijkste wijzigingen in het kort..
● De minimumleeftijd van de gezinsmigrant respectievelijk de hoofdpersoon, ongeacht of de gezinsmigratie plaats vindt i.h.k.v. gezinsvorming of gezinshereniging, wordt 21 jaar (wijziging art. 3.14 en 3.15 Vb 2000). (*)
● Het onderscheid in inkomensvereiste tussen gezinsvorming en gezinshereniging vervalt (wijziging art. 3.22 Vb 2000).
● De in artikel 16 lid 1, onder c, Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan voor verlening van een reguliere verblijfsvergunning zijn in ieder geval (**) voldoende, indien de som van het (bruto)loon, bedoeld in art.16 Wet financiering sociale verzekeringen, uit arbeid in loondienst, het bruto inkomen uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een socialeverzekeringswet waarvoor premies zijn afgedragen, de bruto-winst uit arbeid als zelfstandige en het inkomen uit eigen vermogen (uitgegaan wordt van een fictief rendement van 4% van het gemiddelde eigen vermogen tussen 1 januari en 31 december) ten minste gelijk is aan het (bruto)minimumloon, bedoeld in de art. 8 lid 1, onder a, en 14 Wml, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in art. 15 Wml (art. 3.74 nieuw lid 1 aanhef en onder a Vb 2000).
● De normbedragen voor gezinnen, alleenstaande ouders en alleenstaanden worden uitgedrukt in percentages van het Wml. Voor gezinnen geldt 100% van het Wml (€ 1.416,-), voor alleenstaande ouders 90% (€ 1.274,40) en voor alleenstaanden 70% (€ 991,20). De laatste twee zijn met 20% verhoogd (***); dit heeft te maken met art. 25 Wwb (art. 3.74 nieuw lid 3 jo art. artikel 3.19 nieuw lid 1 en 2 VV 2000, ve10001129).
● Niet langer is vereist dat een student naast een netto-inkomen ten minste gelijk aan het normbedrag voor uitwonende studenten, bedoeld in de Wsf 2000, moet beschikken over aanvullende middelen om het college- of lesgeld te kunnen voldoen (art. 3.74 nieuw lid 3 Vb 2000)
Voor degene die het verblijf financiert van een vreemdeling voor de verblijfsdoelen familiebezoek, au pair, medische behandeling of het ouderenbeleid, zijn de middelen van bestaan voldoende als deze ten minste gelijk zijn aan het toepasselijke bedrag voor de financier, aangevuld met 50% voor elke vreemdeling (art. 3.19 nieuw lid 3 VV 2000, ve10001129). Voor de financier van een student geldt de toepasselijke norm voor de financier, aangevuld met het normbedrag voor uitwonende studenten (art. 3.19 nieuw lid 4 VV 2000, ve10001129). (***)
(*)   In zijn noot bij Commissie/Nederland (JV 2010/237, ve10000639) merkt Groenendijk onder punt 14 op dat het na dit arrest duidelijk is dat een dergelijke verhoging bij echtgenoten van Turkse werknemers strijdig zou zijn met het EU recht.

(**) 
  Met de woorden “in ieder geval” is beoogd aan te geven dat de in art. 3.74 lid 1 Vb 2000  opgenomen inkomensnormen gelden als referentiebedragen. Wat betreft gezinshereniging betekent dit dat zij niet gelden als minimuminkomen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van iedere aanvrager. Dit volgt uit (r.o. 48 van) het arrest Chakroun (JV 2010/177, ve10000350). (Nota van toelichting, p. 18, Besluit wijziging Vb 2000)
Opmerkelijk hierbij is dat in het ‘Besluit modern migratiebeleid’ (ve10001127) in onderdeel EEE (p. 25) is voorzien in de volgende wijziging van art. 3.75 Vb 2000 (duurzaamheid middelen van bestaan), welke blijkens art. XIV van dat Besluit nog niet op 31 juli 2010 in werking treedt:
"1. In het eerste lid wordt «middelen van bestaan zijn duurzaam» vervangen door: middelen van bestaan zijn in ieder geval duurzaam.
2. In het tweede lid wordt «nog één jaar beschikbaar» vervangen door: nog beschikbaar.
3. De eerste volzin van het derde lid komt te luiden: In afwijking van het eerste lid, zijn middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens duurzaam, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven gedurende een aaneengesloten periode van drie jaren jaarlijks voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan nog beschikbaar zijn.
4. (...)"

Zie ook p. 156 van de Nota van toelichting en het advies van de Raad van State (ve10001132) onder punt 6. De Raad benadrukt in dit advies, alsmede in het advies (ve10001038) inzake wijziging Vb 2000 i.v.m. het arrest Chakroun/de Richtlijn, de plicht tot individualisering van de beslissing. Wat het Hof in Chakroun zegt op dat punt geldt niet alleen voor de ‘stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden’ in art. 7(1)(c), maar net zo goed voor de integratiemaatregelen van art. 7(2).

 

(***)   In de Vc 2000 is bij WBV 2010/12 (B1/4.3.3) een overgangsregeling getroffen voor aanvragen verlenging verblijfsvergunning door alleenstaanden en alleenstaande ouders die voor 31 juli 2010 al waren toegelaten op de toen gelden normen: voor hen geldt in afwijking van art. 3.19 VV 2000 de norm van respectievelijk 50% en 70% van het wettelijk minimumloon.

De afwijkende normen gelden ook voor degenen die het verblijf financieren van vreemdelingen die voor 31 juli 2010 verblijf hebben gekregen.
Deze overgangsregeling geldt tot 31 juli 2013.

Uit art. 3.103 Vb 2000 volgt het overgangsrecht voor op 31 juli 2010 lopende aanvragen: deze worden getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven gunstiger is..
Zie ook IND Werkinstructie 2010/8, p. 4 (ve10001123). 
Zie ook het nieuwsbericht op de website van de IND. [wv]

Aanscherping openbare ordebeleid treedt in werking

31/07/2010

Nieuwsbericht

Op 31 juli 2010 treden aangeschrepte regels in werking voor het openbare orde beleid om het verblijfsrecht van vreemdelingen te beeidingen. Ook het beleid om criminele antecedenten tegen te werpen bij een eerste toelating wordt strenger.

De aanscherping bestaat uit een set van maatregelen: 
● het verzwaren van de normen van de huidige glijdende schaal voor ernstige misdrijven, 
● het invoeren van een glijdende schaal voor veelplegers, 
● het verhogen van de maximale termijn voor het vreemdelingrechtelijk tegenwerpen van strafrechtelijke antecedenten, 
● het na vijf jaar kunnen blijven stapelen van strafvonnissen, 
● het mogelijk maken van verblijfsbeëindiging van bijzondere categorieën vreemdelingen indien sprake is van een veroordeling voor een geweldsmisdrijf, 
● het meerekenen van vervangende hechtenis indien sprake is van een bij strafbeschikking opgelegde taakstraf, 
● het onderbrengen van de gedragsbeïnvloedende maatregel in de glijdende schaal 
● het invoeren van een openbare ordetoets bij een ingediend verzoek om vervanging/vernieuwing van het verblijfsdocument. 
Deze aanscherpingen zijn opgenomen in 
● het besluit van 24 juli 2010 waarbij de artt. 3.86, 3.95 lid 3 en art. 6.6 Vb 2000 zijn gewijzigd (ve10001127)
● het Wijzigingsbesluit 2010/11A van 18 juni 2010 waarbij de beleidsregels in de Vc 2000 zijn gewijzigd (ve10001130).
In het besluit van 24 juli 2010 is ook overgangsrecht opgenomen in art. XIII lid 1, dat ziet op de eerbiediging van de verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen van wie het verblijf op grond van het recht zoals dat gold vòòr de inwerkingtreding van dit besluit niet kon worden beëindigd. Het nieuwe openbare orde beleid blijft in dergelijke gevallen buiten toepassing, tenzij de vreemdeling zich na de inwerkingtreding van dit besluit wederom schuldig maakt aan misdrijven. In dat laatste geval wordt uitgegaan van de nieuwe normen, waarbij ook de voor de inwerkingtreding van dit besluit wegens misdrijf opgelegde straffen en maatregelen worden betrokken. [wv]

Gerechtshof Den Haag: op straat zetten kinderen onrechtmatig

27/07/2010

Nieuwsbericht

De Staat mag de kinderen van een uitgeprocedeerde Angolese asielzoekster niet op straat zetten zolang niet adequaat in de dagelijkse verzorging, opvoeding, huisvesting, medische zorg en scholing van de kinderen is voorzien.

Dit heeft het Gerechtshof ’s-Gravenhage bepaald in het (tussen)arrest van 27 juli 2010 (ve10001110) op het hoger beroep van een kort geding, dat door een uitgeprocedeerde asielzoekster en haar drie kinderen tegen de Staat was aangespannen.
1. De Staat gedraagt zich tegenover de moeder niet onrechtmatig door haar uit de locatie Ter Apel te verwijderen en op straat te zetten. Van haar mocht worden verwacht dat zij zou meewerken aan het verkrijgen van reisdocumenten. Dit heeft zij geweigerd.
2. Dat ligt echter anders t.o.v. de kinderen. Tegen de achtergrond van de verdragsbepalingen van het EVRM, ESH en IVRK rust op de Staat ook naar intern Nederlands recht de verplichting zich de bescherming van kinderen aan te trekken. Het hof heeft in dit concrete geval in aanmerking genomen dat de kinderen al acht jaar of langer in Nederland verblijven en daarom hier in zekere mate geworteld zijn. De beslissing van de moeder om niet terug te keren naar Angola kan de kinderen niet aangerekend worden. De kinderen zijn zo jong dat zij niet buiten de zorg van volwassenen kunnen.
De Staat handelt tegenover de kinderen onrechtmatig door hen op straat te zetten en aan hun lot over te laten. De Staat zal de kinderen dan ook pas uit de locatie Ter Apel mogen verwijderen wanneer de Staat heeft aangetoond dat zij door de Staat of door derden van passende huisvesting en voldoende financiële middelen voor de kosten van levensonderhoud en scholing zullen worden voorzien. De Staat zal tevens inzichtelijk moeten maken hoe hierin zal worden voorzien indien aan de moeder geen huisvesting en middelen van bestaan meer zullen worden verstrekt.
Verwijst de zaak naar de rol van 24 augustus 2010 en houdt iedere verdere beslissing aan.
Zie ve10000593 voor het vonnis van de Voorzieningenrechter Rechtbank 's-Gravenhage in eerste instantie. 
Zie ook het nieuwsbericht op rechtspraak.nl. [GW]
Uitzending NOVA 27 juli 2010 over het arrest.
Uitzending NOVA 25 maart 2010 (Nederland zet asielkinderen op straat) n.a.v. de uitspraak van 20 oktober 2009 van het Europees Comite voor Sociale Rechten (ECSR) over de opvang van illegale kinderen in Nederland (JV 2010/150, ve10000325).